Dagboek van Carry Ulreich

door • 17 december 2016 • Buurt en wijk, Geschiedenis

‘S NACHTS DROOM IK VAN VREDE

Het was even een ware sensatie afgelopen najaar. Een onbekend dagboek van een Joods meisje, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken had gezeten, was boven water gekomen en werd uitgegeven. ‘De Rotterdamse Anne Frank’ werd ze al genoemd. Het dagboek is zolang uit zicht gebleven omdat de schrijfster Carry Ulreich direct na de oorlog naar Palestina (het latere Israël) vertrokken is en het daar al die jaren op zolder heeft gelegen. Waarschijnlijk was het ook haar bedoeling om de geschriften voorlopig geheim te houden. Op 13 augustus 1943 schrijft ze: “Wat ik schrijf is alleen voor enkelen geschikt, misschien niet eens voor mijn man….Eigenlijk weten ze alles wat erin staat, want iedereen maakt het mee. Alleen mijn bewoordingen, hoe ik het voel, is voor mijn zelf. Misschien is het wel een beetje minderwaardig. In ieder geval, ik verzegel het! Tot er waardige mensen zullen zijn, voor wie ik het open.”
Daarin verschilt ze van Anne Frank, die al vroeg aspiraties heeft om schrijfster te worden.

Carry Ulreich was een Rotterdams Joodse tiener van 14 jaar toen de oorlog uitbrak. Vanaf eind 1941 heeft ze een dagboek bijgehouden tot aan het einde van de oorlog. Net zoals Anne Frank heeft Carry het dagboek op haar verjaardag (15 november) gekregen en ook zij gaat in de loop van 1942 onderduiken met haar vader, moeder en oudere zus, later aangevuld met de verloofde van haar zus.

Het dagboek onderscheidt zich echter op essentiële punten van deze en andere egodocumenten over de oorlog, waardoor het een unieke status krijgt.

“Het geeft een indringend beeld van het functioneren, de deportaties en de overlevingsstrategieën van de Rotterdamse Joodse gemeenschap tijdens de 2e Wereld Oorlog. Ondanks dat de stad voor de oorlog de op 2 na grootste Joodse gemeenschap van het land herbergde is daar tot op heden nooit veel aandacht voor geweest. Het bombardement en de verwoesting van het oude centrum groeiden (…) uit tot hét verhaal van de havenstad, waardoor alles wat daarna gebeurde enigszins in de schaduw bleef.”, schrijft historicus Bart Wallet in de inleiding van het dagboek.

Omdat Carry uit een orthodox Joods gezin een met Oost Europese achtergrond komt, die hecht aan Joodse tradities, worden we geconfronteerd met een specifiek Joodse kijk op de oorlog en toekomst. Zo zien we dat de zionistische jeugdbeweging na het verbod van de bezetter ondergronds gewoon doorgaat en de drang om na de oorlog een leven in Palestina op te bouwen steeds sterker wordt. Hoewel het gezin Ulreich niet streng in de leer is, speelt het geloof een belangrijke rol.
Door de onderduik bij een hecht katholiek gezin worden we in het boek getuige van een ware cultuurclash. Twee subculturen, die in normale omstandigheden nooit zo met elkaar in contact zouden zijn gekomen, zijn nu tot elkaar veroordeeld. Dat leidt tot vele (religieuze) discussies en noodgedwongen komen de Joodse leefregels (kosjer eten) en feestdagen onder druk en moeten religieuze barrières geslecht worden.

Tot aan deze onderduik zijn we getuige van een Joods meisje dat ondanks de bezetting een betrekkelijk ongedwongen leven leidt, dat gekenmerkt wordt door school, omgang met bekenden en vrienden (net zoals Carry zijn dit voornamelijk kinderen van Oost-Joodse immigranten in Nederland), verveling, flirten, het vieren van Joodse feestdagen en deelnemen aan zionistische clubjes. Naast haar persoonlijke besognes heeft Carry een echter een goed oog voor wat er om haar heen en in de wereld gebeurd. Ze beschrijft de steeds stringentere anti-Joodse maatregelen die de Duitsers afkondigen en de gevolgen daarvan, bijvoorbeeld voor haar vaders bedrijf (kleermaker/coupeur: zaak in maatkleding). Maar ook de internationale slechte situatie van de Joden, men name die in Polen, het land van haar voorouders, houdt ze nauwgezet bij. Om op de hoogte te blijven van de gevechtshandelingen van de diverse legers luisteren de Ulreichs ondanks het sjabbat -verbod elk zaterdagavond naar de Engelse radio. Carry vertelt in haar dagboek dat hierop al in 1942 bekend wordt gemaakt dat Joden in Polen massaal uitgemoord worden. In hoeverre Nederlanders (en joden in het bijzonder) konden weten wat hun te wachten stond “in het Oosten” is tot op de dag van vandaag een gevoelig discussiepunt geweest en lijkt hiermee beslecht. Meer nog dan we in de andere verslagen over de Jodenvervolging, die eerder in deze krant gepubliceerd zijn, (Tilly Bosman, Arthur Trijbits, Anneke Tels) vernamen, hebben de Ulrichs daarom al vroeg weinig fiducie in het lot van de weggevoerde Joden. Carry maakt zich steeds meer zorgen over het lot van het Joodse volk en is al in een vroeg stadium bang dat er niets van over blijft. “Als de oorlog nog heel vlug afloopt hebben we misschien nog kans dat er een paar van de naar het ‘onbekende’ gevoerde Jehoedim terugkomen, maar ik vrees…ik vrees het allerergste.” (1 juni 1943)

Carry Ulrich aan het begin van de oorlog

Als de razzia’s een aanvang nemen proberen Carry, haar zus Rachel en Bram de Lange (verloofde van Rachel), net als vele andere Joodse mensen, een baantje te krijgen bij de Joodse Raad om uitstel van deportatie (Sperre) te krijgen. Dat lukt. Carry moet koffie schenken en afwassen bij Loods 24, het verzamelstation van opgeroepen Joden om van daaruit vervoerd te worden naar de kampen. Carry ziet vele bekenden voorbij komen en is getuige van hartverscheurende taferelen. ’s Avonds stort ze in: “Om half acht kom ik thuis. Rachel is er ook. We beginnen samen een deuntje te huilen. Papa begint ook (omdat ik huil). Mama drukt alles in zich…We doen een beetje niks en denken aan de arme volksgenoten die hun dood (?) tegemoet gaan..”.

Hoewel de familie Ulreich een plaats op de Weinreb-lijst gekocht had, dat hen mogelijk een uitreisvisum zou verschaffen naar onbezet Frankrijk, vertrouwden zij het zaakje niet (terecht naar later zou blijken) en besloten op 18 oktober 1942 in onderduik gegaan. Via Bram, de verloofde van Rachel, komen ze terecht bij de katholieke familie Zijlmans in een bovenhuis aan de Mathenesserweg 28C.
Met veel gevoel voor detail beschrijft Carry wat ruim twee en een half jaar onderduik met een mensenleven doet. De kleine onderlinge spanningen en de volledige afhankelijkheid ten opzichte van de onderduikgevers worden invoelbaar. Ondanks dat de Joodse feestdagen moeten worden opgegeven worden ze innerlijk wel beleefd. “Pesach hebben we hier natuurlijk zo goed als niet gevierd.De jaarlijkse Seider hebben we moeten missen. Laten we hopen dat ik hem maar eenmaal in mijn leven heb moeten missen. Maar in ons hart hebben we hem des te meer geëerd. Stel je voor, de uittocht, toen de Joden niet meer als slaven waren. L’historie se répète. De slaven zijn teruggekeerd. Maar de vrijheid?. Vast wel!” (11 mei 1943).

Bij de familie Zijlmans komt Carry ook in aanraking met een veel vrijzinniger levenshouding en moraal. Thuis was ze gewend aan tafel haar mond te houden als de ouderen spraken, maar hier werd er volop gediscussieerd en gedebatteerd en iedereen deed er aan mee. Vooral de discussies die ze heeft met Bob, een van de zonen des huizes en kunstschilder, doen haar soms twijfelen aan de strenge regels van haar geloof.

Dat beide gezinnen ondanks de verschillen toch tot een nieuwe tijdelijke familiestructuur komen in goede verstandhouding, blijkt wel uit het feit, dat Carry al in januari 1943 spreekt over Ma II in plaats van mevrouw Zijlmans en even later ook ‘meneer Zijlmans’ inwisselt voor Pa II.

Doorlopend heeft Carry het in haar dagboek over de wens naar vrede al was het alleen maar uit angst dat er anders niets van haar volk over zou blijven. Elke keer als ze een schrift vol had (Carry zou naast het dagboek nog 6 schriften vol schrijven) stopt ze een poos met schrijven in de hoop dat de oorlog zou stoppen voordat een nieuw schrift nodig is. “Het mocht niet zo zijn als ik gedacht had: namelijk in mijn oude dagboek verder gaan. Daarom heb ik zolang niet geschreven, want elk ogenblik dacht ik: misschien tóch…Maar nu vond ik het welletjes…” (11 mei 1943).
Als de Duitsers in 1943 uit Afrika zijn verdreven begint het speculeren over wanneer en waar er een invasie van de geallieerden in Europa komt. In het nieuw gevormde gezin Ulreich/Zijlmans wordt er driftig om gewed. Als de invasie ruim een jaar later uiteindelijk plaats vindt, gaan de weddenschappen over ‘wanneer Nederland bereikt wordt’ en als enkele maanden later het zuiden bevrijd is ‘wanneer het noorden aan de beurt is’. Zelfs als de troepen weer ruim een half jaar later bij Amersfoort zijn wordt er gewed waar ze de komende zondag zullen zijn, enzovoorts. Het geeft op een pijnlijke manier weer hoelang ze hebben moeten wachten tot de bevrijding uiteindelijk daar was. De vrede wordt telkens te vroeg verwacht.
Hoewel ze er naar uitkijkt heeft Carry angst voor een invasie.
“Aan de ene kant hoop ik dat er een revolutie uitbreekt in Duitsland, zodat het Duitse rijk vanzelf capituleert. En dan komt er vrede en is de invasie niet meer nodig, want reken maar dat er duizenden slachtoffers (ook onder de bevolking) zullen vallen.” (11 mei 1943)

De ontlading als de bevrijding eenmaal een feit is, is gigantisch. Pas dan durft Carry te schrijven dat Bob al die tijd voor een verzetsbeweging heeft gewerkt waardoor hij aan gestolen voedselbonnen kon komen voor het ondergedoken gezin. Subtiel beschrijft ze de aantrekkingskracht die de Canadese soldaten uitoefenden op de Rotterdamse meisjes. Zelf maakt ze snel haar middelbare school af en vertrekt met een Joodse Brigade soldaat (afdeling van het Britse leger) naar Palestina.

Hoewel Carry tijdens de lange oorlogsjaren soms verzucht wat voor zin het heeft om door te leven als zovelen er niet meer zijn, ziet ze zichzelf behept met een optimistische, vrolijke natuur.
“’s Nachts droom ik ook haast nooit van oorlog of wat er aan vast zit(zat), maar vrede, van mensen die terugkomen uit Polen en die ik van de trein ga halen. En als ik ’s ochtends dan opsta en luister of het rustig is in de lucht, dat betekent dat er dan geen invasie is, dan bid ik tot God dat dit toch gauw mag gebeuren dat ik de mensen van de trein ga halen en ze in ons lege huis verwennen. En dan samen met ons allen naar Palestina om een Hollandse Kvoetsah op te richten (alhoewel dit een fout is: een staat in een staat, maar dit van later zorg). Amen! “ (16 mei 1943)

“De stijl (van het dagboek) is authentiek, relativerend en vaak humoristisch”, vermeldt de achterflap van het boek. En dat is ook zo. Een ‘must read’ dus, zeker voor degenen die de eerdere getuigenverslagen van de holocaust in de TelegraafFloris hebben gelezen. Tilly Bosman, Sam Bosman en ook Carel Kaufman komen er meerdere malen in voor (Ook Carry is geschokt te horen dat Carel een verrader bleek te zijn).

Jeroen van der Beek

Jeroen van der Beek

Na in vele steden in binnen- en buitenland gewoond te hebben is Jeroen in 2004 in de Graaf Florisstraat komen wonen. Hij is beeldend kunstenaar en geeft daarnaast schilderworkshops in zijn huis in Frankrijk en rondleidingen in diverse musea. Jeroen is naast vele andere zaken vooral geïnteresseerd in geschiedenis. Voor de TelegraafFloris heeft hij zich o.a. verdiept in de Jodenvervolging in onze straat tijdens WO2.
Sinds 2010 schrijft hij voor deze krant.
Jeroen van der Beek

Gerelateerde artikelen

Comments are closed.