Verzetsheld uit de straat

door • 16 april 2016 • Bewoners, Geschiedenis

DE achttien doden - Jan Campert 2Bijna iedereen in ons land kent of heeft wel eens gehoord van het beroemde gedicht De Achttien Doden van Jan Campert (de vader van schrijver Remco Campert). Hij heeft het geschreven naar aanleiding van het doodvonnis van 18 opgepakte verzetsstrijders aan het begin van de Tweede wereldoorlog in het zogenaamde Geuzenproces. Weinigen weten waarschijnlijk dat onder deze 18 veroordeelden een jongen zat uit onze straat en dat op het allerlaatste moment zijn straf werd omgezet (begenadigd) tot levenslang tuchthuis, vanwege zijn jeugdige leeftijd.

Bill Minco

We spreken over Sebil (Bill) Minco. Hij woonde met zijn vader en moeder en broer Hugo op nummer 78A . Als scholier sloot hij zich in 1940 aan bij het

Geuzenverzet “In jongensachtig en lichtzinnig enthousiasme” , zoals hij later zou zeggen. “We maakten kaarten en knipten Duitse telefoonkabels door.” Na zijn ‘begenadiging’ begon voor Bill een helse tocht langs

Bill Minco 1941

Bill Minco ~1940

Duitse tuchthuizen en concentratiekampen. Het is een wonder dat hij deze viereneenhalf jaar durende nachtmerrie heeft overleefd. Na de oorlog zou hij deze hele periode inclusief zijn vooroorlogse herinneringen verdringen en niet meer weten dat hij degene was die dit allemaal heeft doorstaan. Hij was slachtoffer van het bekende ‘kampsyndroom’. Gelukkig heeft hij direct na zijn terugkeer in 1945 op advies van zijn vriend Sijds Nijdam (De latere professor en hoogleraar in de psychiatrie en destijds ook wonende in onze straat) zijn ervaringen op-(van zich af)-geschreven. Het resultaat is een van de meest aangrijpende egodocumenten van de Nederlandse oorlogsliteratuur. Het verslag is pas in 1997 in druk verschenen in zijn boek ‘Koude Voeten’ (SUN, Nijmegen) en helaas niet meer in de boekhandel verkrijgbaar. Wel kan het nog 2e hands aangeschaft worden (kijk op het internet) voor rond de 15 euro. Het plan bestaat om een aantal exemplaren in het pandje 88A te leggen zodat het door straatbewoners geleend kan worden.

Hoe het begon …

Hoe het begon 1

Hoe het begon 2

 

Graaf Florisstraat 78 en Duitse oom en tanteBrual Rhede

Na de gevangenis in het Oranjehotel in Scheveningen, waar hij zat in afwachting van het vonnis werd Minco samen met de andere niet ter dood veroordeelde Geuzen naar een tuchthuis in Münster overgebracht. In vergelijking met de latere plekken waar hij zou komen was het hier betrekkelijk goed. De stad moest echter geëvacueerd worden na hevige luchtaanvallen van de Engelsen (Tommies), die besloten hadden Münster te verwoesten nadat de Duitsers Coventry in Engeland hadden plat gebombardeerd. De gevangenen werden zolang geëvacueerd naar het kamp Brual Rhede bij Papenburg (de beruchte veenkampen bij de grens van Groningen en Drente), waar door de gevangenen een schietbaan voor de SS in het veen gebouwd moest worden. Hier werd Bill voor het eerst geconfronteerd met de sadistische beestachtigheid en de grillen van de nazi-bewakers. ’s Nachts moest hij gezamenlijk naar de w.c. omdat ze moesten vechten tegen de aanvallen van de ‘blokoudste’, die zich continu wilde vergrijpen aan de jongens.

Celdeur

Celdeur in Untermassfeld

Untermassfeld

In november 1941 werd Bill Minco overgebracht naar het tuchthuis in Untermassfeld in Thüringen, waar hij als levenslang veroordeelde in ‘Einzelhaft’ werd opgesloten. In deze periode gaat hij er geestelijk bijna onderdoor.
Later schrijft hij: “Anderhalf jaar in een cel alleen. je verliest elk begrip van tijd, zelfs zodanig dat na maandenlange eenzame opsluiting de tijd klank wordt en de klank melodie. Een dreun in je hoofd. Soms zie je jezelf in een cel zitten. Je stijgt boven jezelf uit. Je verliest de controle over jezelf, maar ook de vijand heeft geen vat meer op je. Je ontkomt niet, je komt in een cirkelgang terecht. Bill Minco vlak na zijn gevangennemingJe raakt in die eenzaamheid, zonder menselijke contacten, zonder boeken, zonder brieven en zonder medeleven, alles kwijt. Zelfs je zelfvertrouwen en je zelfrespect. Je vegeteert bijna.”
Het enige contact was met de gevangenisbewaarder. Als hij de celdeur opendeed moest Bill staande tegen de achterwand van zijn cel en vingers aan de naad van de broek zeggen: “Jude Sebil Israel Minco verbüsst lebenslänglich und drei Jahre Zuchthaus wegen Feindesbegünstigung und Spionage.” Dit waren de enige woorden die hij in anderhalf jaar mocht uitspreken. de reactie was meestal:”Verfluchte Jude” of “Alter Drecksau”. Minco: “De (verplichte) toevoeging ‘Israel’ aan mijn voornaam heeft me diep getroffen. Het raakte tot in mijn ziel. vernederd was ik door de gore mentaliteit, de vunzige geest die er door naar voren kwam……..Ik voelde mij geestelijk toen meer beschadigd dan later in Mauthausen, Auschwitz en Dachau bij elkaar.”

Mauthausen

MauthausenIn het voorjaar van 1943 werd er van hogerhand besloten dat de tuchthuizen in Duitsland Judenrein moesten worden. Bill werd overgebracht naar het beruchte Mauthausen, een werkkamp waar voornamelijk zwaar werk in steengroeves gedaan moest worden. Velen vonden hier de dood (o.a. de vader Van Anneke Tels, red), omdat er (zeker voor de Joden) bijna geen eten was. “Het hele blok kreeg samen 4 ketels soep, waaruit de blok-oudste voor zijn Moffen het vlees en de aardappels voor zover nog aanwezig viste. Dan goot hij de rest, wat niet anders was dan aardappel- en groentewater, in een ketel en dat was dan meestal nog te goed voor de hongerige Joden die van het werk terugkwamen. het was net genoeg om meer honger te krijgen. Onze honger werd op het laatst zo erg, dat wij alles wat maar eetbaar was, of liever gezegd alles waarvan wij dachten dat wij er niet aan zouden doodgaan, opaten, zo o.a. koffiedik, aardappelschillen en de wortels van een speciaal soort onkruid.” Het sadisme van de SS om de gevangenen met allerlei wrede spelletjes de dood in te jagen ging ook hier onverminderd door. Een keer tijdens een strafexercitie werd Bill door een kapo zo erg afgeranseld, dat hij totaal geradbraakt was en naderhand zelfs niet meer kon eten. Op dat moment dacht hij er ernstig over om in dMauthausen - Moordhausene hoogspanning (de bedrading rond het kamp stonden onder hoogspanning) te lopen, een veelbeproefde zelfmoordactie van veel gevangenen.
Onder het mom dat als de Joden hier niet dood willen gaan hebben ze in Polen wel andere en betere methoden, konden Joden echter op transport gezet worden, maar dan moesten ze wel transportfähig verklaard worden. Dit was voor Bill de enige mogelijkheid om niet in Mauthausen te sterven, maar zijn conditie was allerbelabberdst. Hij woog nog maar 46 kg., zat onder de zweren, wonden die al 3 maanden etterden, had last van flegmonen (zweren die verder vreten in het lichaam) en hij had oedeem, zwaar gezwollen benen. De Lagerschrijver wilde hem niet zomaar laten gaan, de dokter moest uitsluitsel geven. Gelukkig gaf de arts zonder hem verder te onderzoeken een briefje dat hij transportfähig was. Op 2 augustus 1943 verlieten zij het kamp lopend. Ze waren de eerste Joden die levend Mauthausen uitgekomen waren. Via enkele omwegen werden ze op 13 augustus in een gevangenen wagon vervoerd naar Auschwitz.

Auschwitz

In Auschwitz kwam hij gebroken aan. Hij kon bij de inschrijving zelfs zijn eigen naam en geboortedatum niet meer herinneren. Bill had echter het enorme geluk door in het kamp Leen Sanders tegen te komen, die hem onder zijn hoede nam. Leen Sanders was een Rotterdamse Jood, die voor de oorlog Europees kampioen boksen was geweest. Hij had een bevoorrechte positie in het kamp, omdat een SS-man hem als sportman respecteerde. Leen zat in het Lager Stubendienst. Als Stubendienst kreeg men meer te eten en Leen kon wat bij-organiseren door boksles te geven aan mensen uit de keuken en blok-oudsten. Elke dag kreeg Bill van Leen wat extra’s te eten en langzaam aan sterkte hij weer aan en genazen zijn wonden. “Ik heb het dan ook aan hem te danken, dat ik anderhalf jaar later de ontberingen van de evacuatie kon doorstaan”, schrijft Minco. Leen Sanders was niet alleen genereus naar Bill, hij heeft vele Hollanders geholpen in het kamp en tijdens de evacuatie. Tevergeefs heeft Bill Minco en de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 na de oorlog geprobeerd een standbeeld voor Leen Sanders in Rotterdam te krijgen. Dit zou alsnog moeten gebeuren.
Dat Bill Minco in Auschwitz niet vergast is, zoals bijna iedereen daar heeft te maken met de Duitse logica; zij redeneerden als volgt: wie een misdaad begaan heeft, krijgt een straf en wie een straf moet uitzitten mag dus niet vergast worden, anders zou het een verkorting van zijn straf zijn. Bill is verscheidene malen ernstig ziek geworden in het kamp, hij heeft dysenterie gehad en later typhus en natte pleuritis. Normaal zou een zo ernstig zieke allang naar de gaskamers zijn overgebracht, maar bovengenoemde redenering verhinderde dat. Na zijn ziektes kwam hij weer bij Leen Sanders op het blok die hem er met extra eten bovenop hielp.

Gross-Rosen

De mars uit AuschwitzIn januari 1945 naderden de Russen het kamp. Het hele kamp werd geëvacueerd. Uit angst dat de Duitsers het gehele kamp bij vertrek zouden vernietigen vertrok Bill ook op 19 januari. Later bleek dat op het laatste moment de SS verhinderd was het kamp in de lucht te laten vliegen. Voor 1200 achterblijvers kwam er zo eind januari een eind aan hun lijden. Voor Bill en vele anderen begon er een helse voettocht door de kou en de sneeuw richting Duitsland. “Door de stille heldere nacht liep een onafzienbare rij gevangenen, gebukt onder min of meer groot zwaar pak, soms met een deken over het hoofd. Links en rechts op 10 meter afstand van elkaar de SS met het geweer in de aanslag. Er werden vluchtpogingen gedaan, waarvan enkele maar met goed gevolg…..Het gebeurde al meer dat mensen achterbleven, dodelijk vermoeid totdat ze tenslotte aan het eind van de colonne ineenstortten.” Aan deze voettocht heeft Bill Minco de titel van zijn boek ontleend Koude Voeten.
Zijn voeten waren zo koud geworden dat hij ze niet meer voelde en het gevoel er eigenlijk nooit meer goed in teruggekomen is.
Gross-Rosen was net als Mauthausen een steengroeve-kamp. Door de grote invasie was het er overvol met alle gevolgen van dien. Na drie dagen ging de groep evacuees in een overvolle trein naar Dachau. “We werden in ploegen van 120 man opgesteld voor de veewagons en om de beurt werden deze in 1 wagon gepropt. de laatste 20 moesten er letterlijk ingeslagen worden….toen begon een van de verschrikkelijkste reizen die ik ooit heb meegemaakt. Het tart alle beschrijving.” Opmerkelijk zijn de observaties die Minco doet tijdens deze reis ten aanzien van de mentaliteit van de verschillende volken tijdens deze reis in de volgepakte wagon. Het slechtst komen de Hongaren en Polen er van af. “Onvoorwaardelijke uitbuiting van mensen die niet gewoon zijn ten koste van anderen te leven is hun kenmerk….de Hollander is daarvan natuurlijk de dupe omdat hij het niet verstaat zich tegen het brute geweld van deze menseneters te verzetten. Het zit in eenieder om voor zijn leven te vechten, maar ik geloof niet dat ooit een Hollander het heeft klaargespeeld om iemand die onder dezelfde omstandigheden als hij lijdt, eenvoudig neer te slaan om zelf te leven.” Gelukkig zat Bill met een groepje Hollanders, waaronder Leen, bij elkaar in de wagon.

Dachau

kampNa de verschrikkelijke treinreis waarbij dankzij het kordate en organiserende optreden van Leen in hun wagon slechts twee doden te betreuren viel tegen vele tientallen in de andere wagons, kwamen ze in Dachau aan. De toestanden daar waren onbeschrijfelijk. Het ergste gevaar was besmet te worden met typhus, wat een onherroepelijke dood zou betekenen. er waren geen geneesmiddelen en de zieken kregen minder eten omdat zij niet werkten. enkele barakken waren speciale dodenbarakken. Daar was het water zo besmet dat de bewoners als ratten stierven. In zomerkleren moesten de gevangenen in de gemene kou een omheining om de typhusbarakken maken. Er waren verschillende commando’s die allen een andere werkplek vertegenwoordigden. Aanleggen van vliegtuighallen, bunkers, cementplatenfabriek, noodwoningen, etc.. Alles was buiten in de kou en er werd gewerkt met slechts zomerkleren en linnen schoentjes aan het lijf. Voor veel werkplekken moest wel 7 km tot 12 km gelopen worden. Begin april nadat Minco inmiddels was overgeplaatst naar het (sub)kamp Talhlheim moesten de gevangenen zich naar het hoofdkamp Mühldorf begeven. Daar werden de Joden van de niet-Joden gesplitst. De volgende dag werden de Joden in veewagons geperst en zonder eten begon er weer een treinreis met ongeveer 4000 gevangenen, waaronder ook vrouwen. Drie dagen reden ze door Duitsland zonder eten tot de trein de derde dag stopte bij een groot aardappelveld. (Dit is de tocht die ook Jona (John) Bosman heeft meegemaakt. Lees Het Levensverhaal van Tilly Bosman, red). Daar hoorde Bill geschreeuw en gejoel en werd er geroepen dat de oorlog voorbij was. Een groot gedeelte van de Duitse SS gingen er vandoor. In de proviandwagen van de SS vonden gevangenen een grote voorraad brood en kaas. Bill kon een Edammer bemachtigen waar hij zich zat aan at. Uiteindelijk veranderde de boel weer en werden ze door de achtergebleven SS met machinegeweren weer bij elkaar gedreven en de trein ingeduwd. De reis ging verder. De vierde dag werden ze door Tommies beschoten, waarbij veel doden en gewonden vielen. Pas de vijfde dag kwam er op het station te Seyshaupt in een auto de Zwitserse gazant aanrijden die met de gevangenen en niet met de SS overlegde. “Het was geloof ik de eerste keer dat we ons weer een beetje mens voelden.” De oorlog was eindelijk voorbij.

Thuis

De 6e juni 1945 kwam Bill Mingo weer terug in Rotterdam. “Het was alsof ik nooit was weggeweest”, schrijft hij. “Ik ging eerst naar kennissen in de straat omdat ik niet zeker wist of ze thuis al bericht van mij ontvangen hadden…Onze buurman liep voorop om mijn ouders mijn aankomst mede te delen en de schok niet te groot te maken. Midden in de straat drukte ik hen toen weer in mijn armen. Het leed was geleden…”

Bill_Minco01_z

 

De kamer van Bill op nr. 78A

 

foto-nieuw

De kamer aan de Graaf Florisstraat 78A in de huidige tijd.

Jeroen van der Beek

Jeroen van der Beek

Na in vele steden in binnen- en buitenland gewoond te hebben is Jeroen in 2004 in de Graaf Florisstraat komen wonen. Hij is beeldend kunstenaar en geeft daarnaast schilderworkshops in zijn huis in Frankrijk en rondleidingen in diverse musea. Jeroen is naast vele andere zaken vooral geïnteresseerd in geschiedenis. Voor de TelegraafFloris heeft hij zich o.a. verdiept in de Jodenvervolging in onze straat tijdens WO2.
Sinds 2010 schrijft hij voor deze krant.
Jeroen van der Beek

Recente artikelen van Jeroen van der Beek (alle artikelen)

Gerelateerde artikelen

Comments are closed.