De straat ten tijde van drugs en venerische ziekten

door • 28 juni 2018 • Bewoners, Buurt en wijk, Geschiedenis

Dat het in onze straat niet altijd pais en vree was was ons al duidelijk geworden uit de verschillende interviews met oud-bewoners in de straat.
“… De straat heeft een mindere tijd doorgemaakt. Gezinnen vertrokken. Er waren veel slechte panden…” (interview Henny van Bokhoven)
“…Dat was een leuke tijd. Daarna is het verpauperd…” (interview Jan Latooy)
“…Er is ook een hele slechte tijd geweest. De massale toeloop van buitenlanders veroorzaakte veel verwarring. De een na de andere Hollandse winkel verdween uit de buurt en met hen ook veel autochtone bewoners. Er kwam overlast door intimidatie, criminaliteit en handel op straat….” (interview Mattie Wiggers, in 2013 nog wonende op nummer 83)

Het is de tijd dat de bevolkingssamenstelling van Rotterdam in rap tempo veranderde en daarmee ook de sociale structuur van de stad. De gemeente leek zijn handen vol te hebben aan de huisvesting van de vele nieuwkomers in de achterstandswijken. Veel slecht onderhouden huizen werden aangekocht en gerenoveerd. Er werden woningen gebouwd voor de laagste inkomens, lezen we in het artikel met Frans Hooykaas.

  1. De Documentairemaker
  2. De Dokter
  3. De Check
  4. De Hoofdcommissaris
  5. De Junkie
  6. De Contemporary Artist
  7. De Conclusie
  8. De Moraal

De straten met de betere huizen daar omheen, zoals de Graaf Florisstraat, waar ook de sociale structuur was verstoord, werden aan hun lot overgelaten. Klachten werden niet serieus genomen of genegeerd. Er ontstond een machtsvacuüm, waarin onroerend-goed-speculatie, criminaliteit en drugsoverlast welig kon tieren.

Hoe was de Graaf Florisstraat tussen pakweg 1979 en 2001 er aan toe? Een inventarisatie aan de hand van in deze krant eerder verschenen gesprekken en nieuw materiaal.

De documentairemaker

De handel en wandel van Ben Oliviera, die een modellenbureautje runde op nummer 81, speelde in mevrouw Wiggers verhaal een hoofdrol. In 2001 was het modellenbureau landelijk inmiddels zo bekend dat Rob Muntz (ja, die van die Hitler-persiflage) besloot er een radio-documentaire over te maken voor de VPRO (uitzending 11 juni 2001).

IP phone in the office in 2002, the deployment of workplace sharing becomes more convenient, 300-070 Practice Test because it gives employees can use the Cisco CallManager mobile extension function, easily in any work area set any a phone to your own personal extension. Through the cisco wireless LAN technology, employees can freely Shared from offices in any location, including desk and access the company network, 300-070 Practice Test conference room, which can be in the office any space into questions answers an efficient workplace. In this case, CISSP test all the measure make Cisco’s CISSP test Sao Paulo questions answers office has evolved from a traditional environment of fixed offices and cubicles to an questions answers almost CISSP test entirely virtualized workplace.Using the Internet solutions, cisco greatly reduces CISSP test the space CISSP test requirements of office, and in three years time saved $1.2 million in profit and loss cost, and a $1 million spending (cash flow).That translates to CISSP test questions answers questions answers a 30 questions answers per cent reduction in the cost per employee per year – 300-070 Practice Test from $8,483 per person per year to $5,671 per person per 300-070 Practice Test year. The office’s 300-070 Practice Test productivity has also improved.One survey found that staff at the Sao CISSP test Paulo office 300-070 Practice Test saw their productivity increase by an average of 9% in the new working environment (more on questions answers questions answers this below).In addition, because this kind of environment, technology environment and office management encourages employees to move office, so employees can work from home in the rush hour, so that questions answers each employee can save on average every week 300-070 Practice Test 4 hours of 300-070 Practice Test questions answers traffic jam.

This 300-070 Practice Test past weekend at our dioceses annual conference, we were CISSP test privileged to enjoy a few of our most learned deacons questions answers reflections on scripture and how we approach it. Barbara 300-070 Practice Test Gauthier, whose 300-070 Practice Test gifts of learning and teaching inspire me to no end, explained CISSP test how Soren Kierkegaard remarked that it was questions answers a fearful 300-070 Practice Test thing to be in a room alone with the New Testament. We ought to heed him because we too believe that the CISSP test Holy Spirit of God is alive in every word of scripture. Be CISSP test careful with it. She told us. Handle it gingerly. 300-070 Practice Test Too CISSP test often we try to stand above it, dissecting its words. But its actually the other way around. When our questions answers church ordains ministers, the Bible is actually placed over the ordinands head that it may dissect him with a sharp, double-edged sword, penetrating even to dividing soul and spirit, joints and marrow; judging the CISSP test thoughts and attitudes of the heart (Hebrews 4:12)Now thats scary. Its 300-070 Practice Test that other-way-round-ness that entrances us about questions answers CISSP test autumn and Halloween. Scripture speaks of two realities: a visible and an invisible one. We content ourselves questions answers to suppose the former directs CISSP test the latter, but its disturbing to be reminded that its actually 300-070 Practice Test the other way around. I was a little unnerved CISSP test to learn that we stand in questions answers our service at the Gospel reading, not out of some antiquated respect for an old book, but to acknowledge that Jesus is quite seriously in the room with us, speaking to us here and now through the gospel words and expecting us to act on them. The scriptures are alive with the voice of God 300-070 Practice Test and we never know which words the Holy Spirit will use to speak to us.

“De droom van iedere zichzelf respecterende man: een gerenommeerd modellen-bureautje met tientallen jonge meiden die je aanbidden. En om het allemaal een beetje rendabel te houden; veel ranzige klusjes, waarbij je modelletjes in je Mercedes ’s nachts naar toe rijdt. Ja, dat wil ik ook.”
Zo begint Robbie Muntz de documentaire over Oliviera Models. Hij gaat er 3 weken werken om “van Ben de kneepjes van het ronselen te leren”.
Ben Oliveira omschrijft hij als een Surinaamse man van 55 jaar oud, 1,40 m hoog en 1,30 m breed, 5 gouden tanden in zijn mond en behangen met 6 gouden kettingen.

Muntz docu heeft niet de opzet van een aanklacht. Helemaal Muntz eigen acteert hij juist als een corrumperende medewerker die ook een graantje probeert mee te pikken. Juist deze opzet verleidt Ben Oliviera tot groteske uitspraken, hoewel hij nooit vergeet dat het voor de radio is. Hij doet zich voor als redder van meisjes uit de goot die hij de mogelijkheid van een glanzende carrière aanbiedt. De financiering van de borstvergrotingen neemt hij op zich en rekent daarbij geen rente. Wel moeten de meisjes gedurende de contractperiode uitsluitend voor hem alleen werken.
“Die twee borsten moeten voor je werken, die moeten hun geld terug verdienen. Maar dan krijgt zo’n meisje opeens een vriendje en die wil van dat contract af, omdat hij zelf met die borsten wil spelen. Dan sta ik dat meisje bij. Daar hebben we de ordedienst voor. Als zo’n jongen niet redelijk is, dan moeten we met hem praten om hem redelijkheid bij te brengen.”

Ten tijde van de opnames woont Oliviera al in de villa in Overschie. Ben heeft naast het modellenbureau nog wel allerlei onroerend goed waar hij in handelt en waar vaak ook de meisjes in ondergebracht worden, maar over het pand in de Graaf Florisstraat krijgen we niets te horen. Tijd om verder op onderzoek te gaan in de straat.

De dokter

Als de deur bij nummer 87 opengaat verschijnt daar het imposante postuur van Gerard de Koning. Hij heeft een half uurtje de tijd om over de de straat en Oliviera te praten. “Dat mannetje heeft me meerdere malen bedreigd, maar daar lach ik om”, zegt hij. “Ik heb op vechtsport gezeten en ben voor niemand bang”
Binnen zie ik dat het mooie herenhuis nog geheel in originele staat verkeert met marmer lambrisering en granito vloer in gang en keuken, oud parket in de woonkamer, glas-en-lood schuifdeuren en ornamenten plafonds. “Nu is dat weer helemaal mode”, zegt Gerard lachend. “Ik heb het bewust zo gehouden. Boven heb ik nog de oorspronkelijke fonteintjes”.

“De straat was zo leuk niet toen ik hier in 1979 kwam wonen”, vervolgt hij als we in zijn woonkamer zitten. “Het was een wanordelijke bende met veel drugsoverlast en criminaliteit en de politie deed helemaal niets. Het toentertijd linkse college had alleen aandacht voor de achterstandsbuurten. Deze straat werd aan zijn lot overgelaten. De gezinnen waren inmiddels naar elders vertrokken, de cohesie was weg uit de straat, allerlei illegale paktijken hadden vrij spel. Nu is dat gelukkig anders. Sinds de straatvereniging met dat hoekpandje is er weer samenhang. Ook dat er steeds meer gezinnen met kinderen komen, werkt heel positief. Ik weet zeker dat de politie nu wel komt als er sprake is van overlast of criminaliteit”.

Dr. De Koning is dermatoloog en veneroloog. Hoewel hij verschillende huidklinieken heeft gehad, houdt hij zich voornamelijk bezig met geslachtsziekten. Zijn praktijk had hij aan huis. Aangezien zijn clientèle voor een groot deel bestond uit prostituees is het niet verwonderlijk dat de wereld van hem en die van Ben Oliviera elkaar overlapten.

“Die meisjes hier op Katendrecht en elders deden het allemaal zonder condoom. Dan konden ze 100 gulden extra vangen buiten hun pooier om. Dat risico namen ze dan. Het is een wereld van druk en afpersing. Die Oliviera ronselde meisjes van heinde en verre voor zijn zogenaamde modellenbureautje, maar uiteindelijk kwamen ze allemaal in de prostitutie terecht. Hij verkocht ze gewoon. Het was pure mensenhandel. Als ik dan zag dat het minderjarige meisjes betrof, belde ik de politie. Dan werd hij kwaad op mij en begon me te bedreigen. Dan zei ik ’Kom maar op, ik blaas je zo weg’”.

“En die ordedienst van hem, was je daar dan niet bang voor?”

“Ben je gek, die had hij helemaal niet. Het is een miezerig mannetje van 1,50 met een Napoleon complex. Die ordedienst was allemaal bangmakerij. Hij doelde waarschijnlijk op dat legertje van Bouterse (de huidige president van Suriname, red). Die had een zwaar bewaakt huis aan de Mathenesserlaan met een stalen hek ervoor voor zijn drugsopslag, maar die lui wisten denk ik niet eens dat Oliviera met hen pochte.

“Is het waar dat Oliviera voor zijn modellen een borstvergroting betaalde, die ze dan moesten terugverdienen, zodat hij ze in zijn macht kreeg?”

“Dat werd meestal in België gedaan, maar ik ken ook wel een paar plastisch chirurgen in Nederland die het deden voor grof geld. Wat weet zo’n 16 jarig meisje nou, die kun je alles wijsmaken. Dan kwam zo’n meid terug met zulke tieten (met zijn forse handen geeft Gerard het enorme formaat aan) en was dan overgeleverd aan de wensen van Oliviera.”

“Woonde Oliveira zelf ook in de straat, hij had toch een villa in Overschie?”

“Ja, hij woonde zelf ook in het pand op de hoek. Later is hij verhuisd naar Overschie. Het pand hier zat vol met meiden.”

“Volgens mevrouw Wiggers heeft hij ook een poos in het gevang gezeten. Er stond toen continu een uitsmijter voor de deur, die beweerde dat hij de oom van Bennie was.”

“Dat moet vanwege de drugs geweest zijn. Daar zat hij ook in.”

“En die vernieling van het hele interieur van het pand. Is dat niet door een ordedienst gedaan?”

“Dat heeft hij allemaal zelf gedaan. Hij heeft de hele boel kort en klein geslagen in het huis en zover ik weet is de situatie nog steeds zo. Er is sindsdien niets meer hersteld. Die nieuwe eigenaar is zo’n huisjesmelker met pandjes overal in de stad. Daar circuleert dan ook nog zo’n groepje louche Pakistaanse klusjesmannen omheen. Niet fris allemaal. Die man speculeert er gewoon op dat de gemeente hem uit gaat kopen, want die vinden het natuurlijk niet leuk dat zo’n pand al jaren leeg staat. Die jongen aan de overkant heeft een behoorlijk bod gedaan op zijn huis maar dat heeft hij geweigerd. Hij wil meer.”

“Het was niet alleen Oliviera, die problemen maakte”, vervolgt Gerard, “schuin aan de overkant richting hotel Floris zat een huis vol met Franse junks. Ze waren gewapend en zorgden voor veel overlast. In het huidige hoekpandje zat een illegale coffeeshop. Daar werd continu geblowd en gehandeld. Hier tegenover woonde dat Italiaantje die Toos van der Valk heeft gegijzeld. Op de hoek tegenover het pand van Oliviera zat een winkeltje van een jongen die leather-look en latex outfits maakte en verkocht voor de homo-scene. Hij is meerdere malen bedreigd en heeft bakstenen door de ruit gehad. Uiteindelijk is hij vertrokken naar Drenthe. Er zijn afrekeningen geweest met dodelijke afloop. Kortom het was een puinhoop in de straat. Mevrouw Wiggers bleef maar brieven schrijven naar de gemeente en de politie bellen, zonder resultaat. Ze is er niet gelukkig van geworden. Het beheerste een groot deel van haar leven.
Behalve dan voor die minderjarige meisjes, belde ik nooit de politie. Wel herstelde ik de orde af en toe samen met Westerhof, een marinier die nog ingezet is geweest bij de Molukse treinkaping (De Punt, 1977, red). Hij woonde verderop in de straat.”

“Dus jullie fungeerden als een soort burgerwacht voor de straat bij gebrek aan politie?”

“Zo was het”.

De check

Eenmaal buiten duizelde me het een beetje van alle nieuwe misdrijven die mij ter ore waren gekomen. Was dat allemaal wel waar?
De verhalen over Ben Oliviera blijken uit de drie bronnen (Wiggers, Muntz en De Koning) aardig overeen te komen. Daar is geen twijfel over. Hoogstens is onzeker of hij nu wel of geen ordedienst had. Volgens Wiggers waren er meerdere mensen bezig het interieur van het huis kapot te slaan, want de politie durfde niet te komen omdat ze te weinig mankracht hadden. Maar misschien zegt dat niets omdat zij en de politie er gewoon vanuit gingen dat er meerdere mannen waren.

Maar is de rest niet wat overdreven? Zijn er misschien overlappingen in de verhalen? Het huis met gewapende Franse junks waar Gerard de Koning over rept zou wel eens hetzelfde kunnen zijn als dat huis met illegale Marokkanen op nr. 80, waar mevrouw Wiggers het over heeft. Dat is immers ook richting hotel Floris en Fransen en Marokkanen waren in die tijd nog wel te verwarren. Het is natuurlijk ook mogelijk dat er zowel een huis vol met Franse junks als een huis met illegale Marokkanen is geweest. Wiggers heeft het immers over rivaliserende bendes, die elkaar bevochten. En dan heeft Wiggers het ook nog over zo’n pand net om de hoek in de Witte van Haemstedestraat, waar alles kapotgeslagen was en ook brand is geweest. Overlapping of niet, we kunnen concluderen dat er in ieder geval meerdere criminele bendes zijn geweest en dat er doden zijn gevallen, want dat wordt zowel door De Koning als Wiggers gemeld.

Het meest verbaasde mij echter dat de man, die Toos van der Valk, de vrouw van Gerrit van der Valk (van het Van-Der-Valk-horeca-concern) zou hebben ontvoerd en gegijzeld in 1982 ook uit onze straat kwam, want dat zou betekenen dat ook de Italiaanse maffia hier genesteld was. Die zaak is in de media enigszins weggedrukt door de geruchtmakende ontvoering van Freddie Heineken een jaar later, maar het was toen wereldnieuws.
Onderzoek via internet leert me dat de daders uiteindelijk gepakt zijn en dat het inderdaad Italiaanse criminelen waren. Hun leider was Franco Cat-Berro. Hij was ontsnapt uit een Italiaanse gevangenis en gevlucht naar Duitsland waar hij in 1980 door de Duitse politie werd gearresteerd en uitgeleverd aan Italië. Daarna ontbreekt elk spoor van hem tot de bovengenoemde ontvoering. Het kan natuurlijk zijn dat hij, nadat hij wederom aan de Italiaanse justitie wist te ontsnappen, zich twee jaar lang schuil hield in onze straat, maar dat wordt nergens in de pers gemeld. Hoe kan het dat Gerard de koning dat wel wist?
Er waren voor de politie geen aanwijzingen voor Nederlandse betrokkenheid. De handlangers van Berro kwamen uit Konstanz (Duitsland), hij reed in een Mercedes met Duits kenteken rond en bij de overval spraken ze Italiaans en Duits. Aan de andere kant zijn niet alle daders zijn opgepakt en is van de 12,5 miljoen gulden losgeld slechts een klein deel terug gevonden.

Al surfend op het world-wide-web stuitte ik op een document, dat mogelijk meer licht laat schijnen op de bewering van Gerard de Koning.

De Hoofdcommissaris

In zijn memoires ‘Dossier Blaauw: memoires van een oud-hoofdcommissaris van politie’ (2010), maakt commissaris Blaauw gewag van de ontvoering van Joke Otto, de vrouw van een bankfiliaalhouder in Rotterdam, door een Italiaanse gangsterbende in 1986. Voor losgeld kon haar man haar terugkrijgen.. Het is een spannend verhaal, waarbij de politie in een wilde achtervolging de overvallers met het losgeld van 1,4 miljoen op de hielen zit van Rotterdam naar Amsterdam. De politie-heli werd bij Den Haag met een zwaar kaliber geweer vanuit de vluchtauto beschoten. In de Schipholtunnel veroorzaakten de vluchters een file en kaapten onder bedreiging van een vuurwapen een andere auto. De politie heli lette daardoor op de verkeerde auto en zo wisten de gangsters te ontsnappen. Maar alles was nog niet verloren. Blaauw schrijft:

“Op de in de Schipholtunnel gekaapte Audi, die in Amsterdam werd teruggevonden, vond de technische recherche vingersporen, die zonder enige twijfel konden worden teruggebracht op de beruchte Italiaanse crimineel Natale Piredda, die vroeger in de Graaf Florisstraat in Rotterdam had gewoond.”

Ook deze ontvoering kreeg internationale pers. De zaak is goed afgelopen. Joke Otto werd vrijgelaten en de identiteit van de andere drie ontvoerders kon worden vastgesteld. Ze zijn echter niet gepakt. De uitermate gevaarlijke bende werd internationaal gezocht wegens een reeks bankovervallen. Twee van hun zijn in 1987 bij een hevig vuurgevecht met de politie in Brescia, Italië omgekomen. Natale Piredda was hier niet bij betrokken.

Omdat deze ontvoeringszaak wel rechtstreeks naar onze straat leidt, lijkt het aannemelijk dat Gerard de Koning zich vergist heeft. Het betrof niet de ontvoering van Toos maar die van Joke. Hoe dan ook, dat er zware Italiaanse criminelen in de straat woonden is hiermee wel bevestigd.

De Junkie

Eerder deze maand overleed Roland van nr 103. Ik kende hem van het artikel dat ik over de bewoners van het pand geschreven heb. Een aardige en (soms wel heel erg) relaxte vent die vooral veel viste. Dat hij een zwaar gebruiker was, is me toen ontgaan. Medebewoner Eric doet een boekje open. Roland is nagenoeg zijn hele leven verslaafd geweest. De vieze naalden en ongezonde levensstijl hebben uiteindelijk hun tol geëist. Vroeger zwierf hij op straat en hoorde hij bij de groep van Perron Nul. Dit door dominee Hans Visser opgezette opvangcentrum, waar heroïneverslaafden gratis methadon konden krijgen, heeft bestaan van 1987 tot 1994. De bedoeling was om de overlast van junks en dealers rond het centraal station te verminderen. De opvang had echter een aanzuigende werking. Verslaafden uit heel Nederland en ver daarbuiten kwamen er naar toe. Op een gegeven moment bivakkeerden er zo’n duizend zwaar verslaafde mensen. Dit bracht veel overlast met zich mee. Na de ontmanteling in december 1994 verplaatsten de drugsgerelateerde problemen zich naar de binnenstad en Spangen.

Eric vertelt me dat de Graaf Florisstraat door haar anonieme karakter een grote aantrekkingskracht had op de vele zwervende junkies. Het was ook een belangrijke doorgangsroute van Heemraadssingel (waar veel verslaafden hun dag doorbrachten) naar Perron Nul en vice versa. “Eigenlijk heeft Roland op zijn oude plekje later een kamer kunnen krijgen”, concludeert Eric.

Els de Jong, die in 1982 met 2 kleine kinderen in de straat kwam wonen bevestigt de overlast. “De junks liepen met spuit in de aanslag als zombies door onze straat richting de gratis shot bij Perron Nul. De spuiten lagen ook overal in de straat en de hele Heemraadssingel was ingenomen door de junkies. Klagen hielp niet. Van de politie kregen we slechts het advies om het park weer opnieuw in bezit te nemen door op de bankjes te gaan zitten. De ontruiming van Perron Nul was een verademing voor de straat.”

Het moge duidelijk zijn. Naast de eerder genoemde criminaliteit werd de Graaf Florisstraat in deze periode hevig geconfronteerd met de aan drugsgerelateerde overlast.

The Contemporary Artist

Als u wel eens een museum bezoekt of galerie zal het u ongetwijfeld opgevallen zijn dat veel hedendaagse kunstenaars zich op het moment bezig houden met politieke statements vanuit een sociologische en/of historische context. Vooral thema’s verbonden aan racisme en slavernij zijn daarbij populair. De schuldvraag wordt in deze statements centraal gesteld. Als historicus vind ik dit jammer omdat hierbij politiek engagement gelijkgesteld wordt aan waarheid en doorwrochte historische analyses onderbelicht blijven.

Hoewel niet gespeend van moralisme ten aanzien van bovengenoemde thema’s is het toch verfrissend hoe Charly Koolhaas het aanpakt in haar kunstproject What Happened In Rotterdam. Dat zal kunnen komen doordat ze naast kunstenaar tevens socioloog is.

In haar boekje beschrijft ze ook onze straat en ze maakt daarbij een onderscheid tussen een rijk (white middle class) en een arm(er) gedeelte. Het arme gedeelte, het begin van de straat ( een precieze aanduiding ontbreekt, maar waarschijnlijk tot aan de kruising met de Jan van Avennestraat) wordt naast de sobere behuizing vooral gekenschetst door schimmige activiteiten van jonge drugsdealers en de constante toeloop van buitenlandse middelbare mannen met kleine rugzakjes in het hotel aldaar, waarvan het gerucht gaat dat zij daar gefaciliteerd worden om de drugs uit hun lichaam te extraheren. In het hotel hangt daardoor continu een vage geur van feces.

Ik weet niet precies wat ik van het beeld dat hier geschetst wordt moet denken. Het is niet vrolijk en het zou betekenen dat de drugsgerelateerde overlast nog niet over is, ergo de slechte jaren zouden zomaar kunnen terugkeren.

We moeten echter wel bedenken dat dit boekje natuurlijk kunst is. Zoals gemeld worden omwille van het statement daarbij zaken nogal eens overdreven. In dit geval wordt de straat opgezadeld met de “two extremes of Dutch society” en die tegenstelling wordt zelfs aangescherpt. De ‘young white middle class in their houses with high ceilings and original stain-glass windows’ en ‘doll-like Dutch children play in sandpits under the large old trees’ staat tegenover het gedeelte van ‘social housing’ met kleinere ramen, waar vrouwen uithangen en kijken naar de in zo’n buurt natuurlijk onvermijdelijke drugshandel door een allochtone outcast. Merk op hoe subtiel onder deze analyse, die aansluit bij een stereotiep beeld, tevens een schuldvraag, ja haast een verwijt schuilt.

Het hierboven geschetste beeld over hotel Turkuaz (voorheen hotel Du Commerce) klopt niet met wat ik in onze krant erover vind. Bertie Bik (interview), die pal naast het hotel woont op nummer 3A is vol lof over het hotel. Haar zoon heeft er nog gewerkt. Gerard de Koning, die eerder ook op 3A woonde, noemt het het enige normale hotel in de straat. Ook uit het artikel over Hotel Tukuaz met de vele markante verhalen krijgen we een heel ander beeld.
Daarentegen hadden de hotels in het ‘rijke deel’ van de straat juist een veel slechtere reputatie.

De laatste rating op Trip Advisors van hotel Floris was een 1,2. Het stond slecht bekend. In haar column Parallelle Werelden, schrijft mede-redacteur Liesbeth Levy:

“Tegenover ons huis bevindt zich het inmiddels beruchte Hotel Floris, een plek waar slechts een leeg harnas verwijst naar het roemruchte verleden van de naamgever.”

Het voormalige Hotel Heemraad (hoek Heemraadssingel) wordt in het eerder genoemde artikel over Hotel Turkuaz een regelrechte hoerentent genoemd. Later is het in gebruik genomen door diverse uitzendbureaus om er tijdelijke arbeidskrachten in te huisvesten (het ‘Polenhotel’).

Veel slechter nog moet het gesteld zijn geweest met het pension op nummer 114 waar volgens Henny van Bokhoven veel uitbuiting was. Ook het hotel op de nummers 97 en 99 was volgens haar erg louche. Ergens midden jaren tachtig is het waarschijnlijk op last van de brandweer gesloten, waarna het in handen viel van speculanten.
Gelukkig zijn al deze hotels inmiddels tot opluchting van de buurt gesloten en verbouwd tot woningen en appartementen. Met voormalig Hotel Floris gaat dit binnenkort gebeuren.

Het kan natuurlijk zijn dat in de 3 jaar tussen de berichtgeving in onze krant over het hotel en het boekje What Happened In Rotterdam, het beleid van hotel Turkuaz totaal is veranderd (waarom zou je 3 sterren op het spel zetten?), maar dan nog hoeft dit niet persé gerelateerd te zijn aan mogelijke armoe of achterstand van een wijk.
De Heemraadssingel wordt over het algemeen als een chiquere straat beschouwd dan de Graaf Florisstraat. De huizen zijn er groter en duurder. Toch zegt de wijkconciërge van Middelland over criminaliteit: “Ik zie veel drugshandel. Vooral op de Heemraadssingel.”

De Conclusie

Concluderend kunnen we stellen dat de straat in de periode 1979 – 2001 een enorme malaise heeft ondergaan. Aan bescherming van de bewoners heeft het ontbroken door een totale afwezigheid van handhaving, ondanks de vele verzoeken daartoe.
Speculanten, malafide bedrijfjes, pooiers en criminelen hadden vrij spel en konden wanneer het hun uit kwam voor eigen rechter gaan spelen. Zware criminelen konden hier veilig onderduiken. Bovendien werd de straat ook nog eens bloot gesteld aan een sociaal experiment voor zwaar verslaafde junks, die zijn weerga in de wereld niet kent. Het omslagpunt voor de straat ligt dan ook bij de ontruiming van Perron Nul. “Langzaam aan zag je vanaf toen architecten, kunstenaars en jonge ondernemers de straat binnenkomen”, zegt Els de Jong van nummer 30. Natuurlijk werden die ook aangetrokken door de van oorsprong mooie ruime huizen en de ruimtelijke opzet van de straat en zo krijgt Henny van Bokhoven gelijk als ze zegt: “De Graaf Florisstraat is er weer bovenop gekomen, omdat het van oudsher een standstraat is met veel koopwoningen.”

De straat is er inderdaad weer bovenop gekomen. Niet dankzij hulp van de gemeente, maar door het feit dat er na een periode van verval en speculatie steeds meer eigenaar-bewoners zijn gekomen, die hart voor de straat hebben en iets moois van hun woonomgeving willen maken. Er is weer cohesie gekomen. De vele activiteiten geïnitieerd vanuit de straatvereniging hebben daar zeker toe bijgedragen.

De Moraal

Hoewel het bovenstaande geen sprookje of parabel is met een motief, het is helaas echt geschied, kunnen we misschien toch wel een paar praktische lessen trekken, die de straat zou kunnen behoeden voor weer een terugval.
Geen stichtelijke regels, want daar geloof ik niet zo in. Leef gewoon je leven. De straat zit in een positieve flow. De cohesie in de straat is organisch weer aan het groeien, doordat er mensen met een positieve en sociale inslag zijn komen wonen.

De straatactiviteiten, zoals bijvoorbeeld deze krant, geven daar binding aan. Die kunnen altijd wel versterking gebruiken. Heb je daar geen tijd of zin in, steun dan het buurtpandje (straatvereniging ‘Ter Bevordering’) want dat is een belangrijk centrum voor alle activiteiten.

Maar grootstedelijke problemen zijn er natuurlijk nog wel. Er zijn autoinbraken en fietsendiefstallen. Ook is er nog drugshandel, vandalisme en afvalnonchalance. De nabijgelegen achterstandswijken zijn ondanks alle input in het verleden en nieuwe initiatieven in het heden nog steeds problematisch. Het wachten is op meer initiatief vanuit de mensen zelf, want daar moet het van komen, is het nieuwe idee.
De Graaf Florisstraat heeft hierin al het voortouw genomen.

Er is een ding dat we echter niet zelf kunnen en mogen: handhaving. Om de buurt levendig en aantrekkelijk te houden zeker ook voor gezinnen met kinderen, zullen we de gemeente wanneer nodig daarom met succes moeten kunnen herinneren, aan haar eerste taak: bescherming en veiligheid bieden aan haar bewoners.
Daar heeft het in het verleden danig aan geschort. Wat Mevrouw Wiggers in haar eentje niet lukte, lukt ons als straatvereniging dan hopelijk wel.

Misschien toch niet een goed idee…….zo’n links college.


In the day of confession
We cannot mock a soul
Oh, when there’s too much of nothing
No one has control

(T.S. Eliot)


Jeroen van der Beek

Jeroen van der Beek

Na in vele steden in binnen- en buitenland gewoond te hebben is Jeroen in 2004 in de Graaf Florisstraat komen wonen. Hij is beeldend kunstenaar en geeft daarnaast schilderworkshops in zijn huis in Frankrijk en rondleidingen in diverse musea. Jeroen is naast vele andere zaken vooral geïnteresseerd in geschiedenis. Voor de TelegraafFloris heeft hij zich o.a. verdiept in de Jodenvervolging in onze straat tijdens WO2.
Sinds 2010 schrijft hij voor deze krant.
Jeroen van der Beek

Recente artikelen van Jeroen van der Beek (alle artikelen)

Gerelateerde artikelen

Comments are closed.