Vanouds met Mattie Wiggers

door • 25 april 2013 • Bewoners, Geschiedenis

Mattie Wiggers is een vitale dame van 88. In haar eentje bewoont zij het grote herenhuis op nummer 83. Ze is goed bij de tijd, runt haar huishouden zelf en rijdt ook nog auto. Al 58 jaar woont ze in de straat. Zes kinderen heeft ze hier groot gebracht. Sinds de dood van haar man ruim veertien jaar geleden woont ze alleen.

Het eerste wat me opvalt bij binnenkomst van haar huis zijn de ouderwetse lichtschakelaars waarbij de schakelaar nog een halve slag gedraaid moet worden. Precies zoals in het huis waarin ik opgegroeid ben heel lang geleden voordat de elektriciteit vernieuwd werd en dat was een huis uit 1902. Ongetwijfeld dateren deze ook uit de tijd dat het huis gebouwd werd. Toch is niet het hele huis in originele staat. De woonkamer heeft ooit een verbouwing ondergaan. De schuifdeuren zijn eruit gehaald en de schoorsteen is verplaatst ten behoeve van een open haard, die zodoende centraal in de voorkamer staat. Ook is bij de ingang naar de kamer de gang wat verbreed ten koste van de kamerruimte, waardoor er een halletje is gecreëerd die de lange gang breekt en tevens de voorkamer enigszins scheidt van de achterkamer. De verbouwing blijkt al gedaan te zijn door een bevriende architect van haar man voordat mw. Wiggers in 1955 in het huis kwam wonen. Haar man woonde er toen al. Het moet toentertijd een moderne woonkamer geweest zijn, precies zoals Herman Willemsen in zijn herinneringen heeft vermeld. De vleugel die hij noemt en waar dhr. Wiggers zo prachtig op kon spelen staat er nog steeds. Het lijkt er sterk op dat er sinds die tijd niets meer in de kamer veranderd is. Ook de boekenkast die een intrinsiek onderdeel uitmaakt van de uitbouw van het halletje dateert uit die tijd en is nog steeds gevuld met de boeken van Mattie’s man. ‘Hij was een echte lezer’.

Mw. Wiggers is opgegroeid in Rotterdam Zuid, haar vader was daar huisarts, en in Leiden heeft ze geneeskunde gestudeerd. Toen ze begin jaren vijftig klaar was met haar studie was het niet makkelijk om een baan te krijgen, zeker als vrouw niet. Ze heeft wel de praktijk van haar vader een poos waargenomen toen hij ziek was, maar naar Zuid wilde ze niet terug. Bovendien was die praktijk veel te groot. Er zat ook nog een stuk haven bij. ‘Tegenwoordig zou je zoiets met bijvoorbeeld twee vrouwelijke artsen in een maatschap gaan runnen, maar dat was toen nog niet’, mijmert ze enigszins weemoedig. Uiteindelijk vond ze een baan als assistent chirurgie in het voormalige Eudokia ziekenhuis aan de Bergweg. Daar heeft ze haar man ontmoet, die er chirurg was. Toen ze trouwde moest ze haar baan opzeggen. Dat was toen zo. Later toen haar kinderen groot waren is ze weer gaan werken als assistent voor oudere huisartsen en als keuringsarts bij de Detam (Bedrijfsvereniging Detailhandel en Ambachten in 2002 opgegaan in UWV).

Mw. Wiggers heeft altijd heerlijk in de straat gewoond. Toen ze hier kwam in de jaren vijftig was het een echte chique straat. Ze vond het wel donker door de bomen, maar het was hier zo rustig. Er waren bijna geen (geparkeerde) auto’s en de trottoirs waren nog breder dan nu omdat de parkeerhavens er nog niet waren. Dat was prettig voor de kinderen om te spelen. Er was wel een bus, die het oversteken voor de kinderen gevaarlijk maakte. Verder waren alle winkels in de buurt. Aan de overkant de melkzaak van Van Holst en op 88 natuurlijk de groentezaak van Geluk. Dat was een heel gezellige winkel. Geluk bevoorraadde ook diergaarde Blijdorp. Meerdere malen per week bracht hij op zijn fiets alle overgebleven groente daar naar toe.

‘Er is ook een heel slechte tijd geweest, maar pas veel later. De massale toeloop van buitenlanders veroorzaakte veel verwarring. De verandering ging eigenlijk heel snel. De ene na de andere Hollandse winkel verdween uit de buurt en met hen ook vele autochtone bewoners. Zo’n twintig jaar geleden was het op zijn ergst. Op nr. 80 zaten allemaal illegale Marokkanen, die veel overlast veroorzaakten door intimidatie, criminaliteit en handel op straat. Er waren ook onderlinge vechtpartijen tussen de bendes waarbij geschoten werd. Daar zijn ook doden bij gevallen. De politie is er een keer geweest om de boel te ontruimen, maar binnen de kortste keren waren ze gewoon weer terug. De eigenaar was een Surinamer. Hij had iedereen weer binnen gelaten en de deur gerepareerd. Om de hoek in de De Witte van Haemstedestraat zat ook zo’n pand. Alles werd daar kapotgeslagen, er waren lekkages en er is ook nog brand geweest. De dooie ratten lagen op straat.’.

De ergste overlast heeft mw. Wiggers echter ondervonden van het pand naast haar op nr. 81. ‘De Surinamer of Antilliaan Bennie Olive(i)ra had daar jarenlang een handel in illegalen. Daar verdiende hij goed aan. Met busjes vol liet hij ze komen. Hij regelde dan op een of andere manier voor iedereen een paspoort en uitkering die hij voor het grootste deel in zijn eigen zak stak. Daarna sluisde hij ze door naar andere huizen zodat de volgende lading kon komen. Die mensen woonden het hele huis uit want ze hadden geen idee hoe je in een stadshuis moest wonen. Ook had Bennie een zogenaamd modellenbureau. Met die jonge meiden deed hij ook van alles. Bij enkele van hen had hij op een gegeven moment kinderen. Voor die vrouwen organiseerde hij dan flatjes in Ommoord en zo. Bennie was vuurgevaarlijk en zijn lijfwacht zag er angstaanjagend uit. Opeens stond er een oude lijfwacht doorlopend voor de deur, die zich voorstelde als de oom van Bennie. Bennie zelf vertoonde zich niet. Als we vroegen waar Bennie was dan zei hij dat Bennie op vakantie was. Later bleek dat Bennie in het gevang had gezeten.’.

Op een keer leek het wel of de oorlog uitgebroken was in het pand. Alles werd kort en klein geslagen tot aan de trap aan toe. Blijkbaar waren de illegalen getipt dat ze er uit moesten. Mw. Wiggers heeft de politie gebeld maar die durfde niet te komen omdat ze te weinig mankracht hadden. Pas toen iedereen vertrokken was kwamen ze. Met getrokken pistool ging een politieman toen naar boven met Mw. Wiggers achter hem aan. Alles in het huis was vernield. Bennie had intussen zoveel verdiend dat hij een villa in Overschie heeft kunnen kopen.

Mw. Wiggers heeft veel geklaagd bij de gemeente over de wantoestanden in de buurt, maar kreeg steeds nul op haar rekest. Zij wijt dat aan desinteresse van de stadsbestuurders. Zelf immers woonden deze vooral in Hillegersberg of Kralingen waar ze geen last hadden van de massa immigratie. Vooral voor burgemeester Peper heeft ze geen goed woord over. Ze heeft vergeefs heel wat brieven aan hem geschreven.

Hoewel ze zelf lid is van het CDA en het niet eens was met al zijn ideeën was ze desondanks blij verrast met de beweging van Pim Fortuijn. ‘Hij zei hardop wat ons al zo lang frustreerde. Eindelijk werd de onverschillige mentaliteit eens aan de kaak gesteld’.

Gelukkig is nu de straat al lang weer goed. Ze is blij dat er zoveel nieuwe bewoners met hart voor de straat zijn gekomen en ook dat er weer gezinnen met kinderen zijn.

De oorlog heeft een diepe indruk gemaakt op Mw. Wiggers. Ze woonde toen nog bij haar ouders op Zuid. Tijdens het bombardement van 14 mei 1940 is ze met haar familie geëvacueerd geweest, maar na dat bombardement bleef de situatie nog steeds gevaarlijk. De haven werd continu door Engelsen gebombardeerd en die gooiden maar een beetje hap snap van grote hoogte. Het huis van de bovenmeester waarbij zij op school had gezeten en dat vlakbij was, is bij zo’n bombardement geraakt. Zijn vrouw en een kind waren dood. Het jongste jongetje had een scherf in zijn hersenen en een meisje was voor het leven geschonden. De bovenmeester zelf was een oog kwijt. De vader van mw. Wiggers heeft toen het rozenperk in de tuin opgedoekt en een schuilkelder laten maken. ‘Dat was wat. Als er luchtalarm was in de nachtelijke uren moesten we samen met de bovenburen, want die mochten ook mee, bibberend van de kou daar in en meestal stapte je in het nat ook nog. Verschrikkelijk, maar je deed het want het was voor je veiligheid.’.

Mw. Wiggers zat tijdens de oorlog op het Marnix gymnasium en moest van Zuid met de pont oversteken en door de verbrande stad fietsen. ‘Als ik weer thuis kwam stonken al mijn kleren naar brand’. Na haar school heeft ze twee jaar moeten wachten voor ze kon gaan studeren. Er was na de oorlog een run op de universiteiten. Ook toen bleef het lang armoe troef. Ze herinnert zich vooral dat haar kamer in Leiden ijskoud was. Ze moest telkens tot buiten de stad fietsen om brandstof te halen om het kacheltje te kunnen stoken. Met een blik olie achterop de zwabberende fiets was dat een hele onderneming.

VanHellAan de muur hangt een prachtig schilderijtje van zingende mensen op straat (zie vorige bladij) ‘Dat zijn joodse straatzangers’, maakt mw. Wiggers me duidelijk. Haar man had het gekocht van Johan van Hell in 1943, vlak nadat hij het geschilderd had. Hij was naast schilder ook klarinettist in het concertgebouworkest. In de oorlog zat hij ondergedoken in de kelders van het rode kruis ziekenhuis in Den Haag waar haar man toen werkte. ‘In het concertgebouworkest zaten veel joden maar die mochten op een gegeven moment in de oorlog niet meer spelen. Toen moesten ze hun geld verdienen op straat en dat heeft Van Hell hier weergegeven.’

Mw. Wiggers gaat overigens nog steeds graag naar concerten. Zo nu en dan rijdt ze nog naar Amsterdam om een uitvoering in het concertgebouw bij te wonen.

Na nog even stil gestaan te hebben bij de Jodendeportatie in onze straat, de uitgebreide klokkenverzameling van haar overleden man en het mozaïek in de entreehal bewonderd te hebben neem ik afscheid van mw. Wiggers.

’s Avonds gaat de telefoon: ‘Met mevrouw Wiggers nog even. Ik wilde nog even zeggen dat alles langs de deur kwam, de bakker, de melkboer en een maal per week de scharensliep en de schillenboer en ook nog een voddenman. Dat was allemaal zo makkelijk. Kun je dat er ook even inzetten?’

Even later gaat voor de tweede maal de telefoon: ’Ja en de melkboer die heette Naaktgeboren en altijd als ik de deur open deed zei hij “Dag schat”. Dat vond ik zo geestig.’

Jeroen van der Beek

Jeroen van der Beek

Na in vele steden in binnen- en buitenland gewoond te hebben is Jeroen in 2004 in de Graaf Florisstraat komen wonen. Hij is beeldend kunstenaar en geeft daarnaast schilderworkshops in zijn huis in Frankrijk en rondleidingen in diverse musea. Jeroen is naast vele andere zaken vooral geïnteresseerd in geschiedenis. Voor de TelegraafFloris heeft hij zich o.a. verdiept in de Jodenvervolging in onze straat tijdens WO2.
Sinds 2010 schrijft hij voor deze krant.
Jeroen van der Beek

Recente artikelen van Jeroen van der Beek (alle artikelen)

Gerelateerde artikelen

Comments are closed.