Verhalenbundel Kees Koppenaal

door • 25 oktober 2019 • Bewoners, Kunst

Toen slavist, dichter, schrijver, vertaler en cultureel ondernemer (oprichter van uitgeverij Douane) Arie van der Ent in zijn letteren-café Tsjechov & Co thema schrijf- en voorleesavonden organiseerde voor liefhebbers van eten, drinken en verhalen, was Kees Koppenaal, nooit te beroerd om weer iets nieuws in zijn leven aan te vangen, natuurlijk van de partij. Aan de hand van vooraf gegeven thema’s werden de deelnemers verzocht een verhaal te schrijven die dan tijdens de bijeenkomsten voorgelezen werden. Kees ging aan het werk en het resultaat mocht er wezen. De verhalen, die Kees voorlas, werden door de deelnemers van een dermate hoog niveau geacht, dat ze hem adviseerden een selectie in boekvorm uit te geven. En zo geschiedde.

We kennen onze straatgenoot Kees als een eigenzinnige, vrijheidslievende levenskunstenaar, die een zeker bestaan als jurist inruilde voor een carrière als zwerver/reiziger zowel door zijn eigen stad als naar verre oorden, ondertussen mensen helpend (meestal pro deo) op sociaal en juridisch gebied (zie het artikel uit 2014). Dat hij ook in zijn hoofd de kunst van het reizen verstaat blijkt wel uit de verhalen die hij ons in deze bundel voorschotelt.

Kees weet in veel van zijn verhalen een broeierige sfeer op te roepen van verre oorden en nachtmerrieachtige taferelen, waarbij de ik-figuur, ondanks zijn verlangen erbij te horen, naarmate het verhaal vordert steeds meer twijfelt of hij er zelf wel deel van uit maakt. In 2 verhalen komt de verteller zelfs letterlijk los van zichzelf. In het verhaal Krakau ontmoet hij zijn dubbelganger, die er mogelijk met zijn vriendin vandoor gaat en is hij getuige van zijn eigen begrafenis. In Zonsondergang in Zaachilla lezen we nadat de ik-figuur het geheim van de Indianen heeft ontrafeld:
‘Ver onder mij, op de bodem van het meer, zie ik door het kristalheldere zwarte water een wereld, waar ik geen deel meer aan heb. Een trein stopt. Ik zie iemand instappen van wie ik weet dat hij mijn naam draagt.
Ikzelf blijf achter.’

In Het Kruispunt komt een persoonsverwisseling voor tussen een oude man en een wandelaar. De oude man staat voor het verlangen naar rust, het huisje op het land in de winter met een warme kachel en in de weide omtrek geen sterveling te bekennen en de wandelaar staat voor het verlangen naar avontuur, het volle leven in de stad. De ik-figuur weet niet wie hij is de oude man of de wandelaar:
‘Ik sta op een kruispunt. De twee zielen in mijn borst willen ieder een andere kant uit. Ze zullen het nooit eens worden.’
Het verhaal deed me denken aan het verhaal Bekentenis van Belcampo. Ook hier is sprake van verlangen naar zowel een avontuurlijk als een rustig leven. Belcampo geeft er echter een vrolijke twist aan door een dubbelganger van de ik-figuur op te voeren, zodat ze kunnen wisselen als het tijd wordt het andere verlangen aan te spreken. Bij Kees is de pijn van de tweestrijd beter invoelbaar.

Uit het gesprek met Kees bleek dat een heleboel verwijzingen die Kees in de verhalen gestopt heeft aan mij voorbij gegaan zijn. Zo verwijst de ondertitel van het verhaal De prins in Tela ‘Een dagje naar het strand’ naar het gelijknamige boek van Heere Heeresma, waarin de hoofdpersoon een dagje naar het strand gaat met zijn gehandicapte dochtertje maar waarbij de alcohol gedurende de dag een steeds destructievere rol gaat spelen. Ook bij Kees is de alcohol dominant aanwezig en bepalend voor het verloop van het verhaal. De sub-hoofdstukjes verwijzen naar de opzet van het meesterwerk Ulysses van James Joyce (die op zijn beurt het raamwerk van de Odyssee van Homerus hanteert), dat zich net als het verhaal van Kees in de tijdspanne van een dag afspeelt. De constatering van de ik-figuur aan het slot van het verhaal dat de drinkbeker (het genot, het leven) aan hem voorbij gaat omdat zij nu eenmaal ‘Ieren in de lente’ zijn en hij niet, verwijst direct maar naar de uitspraak van de Amerikaanse rechter die in zijn oordeel (1933) het publicatieverbod van het boek ophief (Ulysses was meer dan 10 jaar lang verboden in de Verenigde Staten en zelfs 14 jaar in Engeland en Ierland vanwege vermeende seksuele obsceniteiten erin) met de woorden dat Kelten (Ieren zijn Kelten) nu eenmaal ruige mensen zijn en zeker ‘Kelten in de lente’. Kees is en blijft een jurist. Verwijzend naar een gerechtelijke uitspraak excuseert de verteller zijn rol als buitenstaander.

In het verhaal Hohe Messe onderneemt de door drank benevelde verteller een helse tocht over een besneeuwde berghelling in de ijskoude nacht van een in het dal gelegen bar naar het hoog gelegen hotel. Onderweg beseft hij dat hij in La Divina Commedia van Dante verzeild is geraakt. Een komedie want de tocht uit de onderwereld wordt tot een goed einde gebracht. Althans zo lijkt het, het pad wordt verlicht en de in zwoele nachtjaponnen geklede engelen (meisjes) wachten de verteller op. Maar dat is dan nog zinnebeeldig. De verteller doorstaat eerst weer de pijn van de elfstedentocht van 1963. De zwaarste die we gehad hebben (en die Kees gereden heeft). Het is kantje boord, maar Dantes succesvolle reis naar boven geeft ook de verteller hernieuwde kracht. Met het ochtendgloren wordt de bergtop in een blinkend licht gezet. Het laatste stuk wordt volbracht. Een masseuse, een mooie superblonde dame, vervult de rol van Beatrice en voert de verteller naar de hemel. Hosanna in excelsis. Het blijkt van korte duur, want de geschiedenis herhaalt zich.

Het andere ski-verhaal van het boek, Et je pleure, heeft een heel andere lading. Het onvermogen van de dagdromende verteller om echt deel uit te maken van de feestvreugde, van de wereld om hem heen staat centraal.
‘De vrouwen die ik zag en vooral hoorde waren even onbereikbaar als die in de gelezen gedichten en verhalen.’
De herinnering aan de door alcohol gedreven bravoure in die dagen van weleer maakte de pijn nog erger.
Dit alles wordt al terugblikkend beseft na weer een hoopvol begonnen maar toch mislukte romance.
‘Terug in het hotel….. stond ik weliswaar met lege handen maar met een vol gemoed.
Die nacht las ik niet verder.
Et je pleure ‘

De verhalenbundel Zonsondergang in Zaachilla is Kees zijn debuut. Op de achterflap staat over hem:

Hij heeft weliswaar een aanzienlijke fysieke leeftijd bereikt, maar staat nog altijd als een vrije jonge geest in het leven. Nooit te oud om te debuteren. Met verhalen die er toe doen.
Dat is allemaal zonder meer waar. De verhalen zijn opmerkelijk, vooral ook omdat ze geen beschrijvingen zijn wat men van een ouder iemand eerder zou verwachten, maar serieuze composities met veel monologue-intérieur, surreële wendingen, de nodige zelfspot en eerlijk tot op het bot.
Toch vraag ik Kees of hij niet eerder had willen debuteren. Hij beaamt het. Het titelverhaal had hij al langer geleden willen publiceren, maar dat is er nooit van gekomen. ‘Zelfs als het maar 10 jaar geleden gebeurd zou zijn, dan zou ik het al fijn gevonden hebben.’ Toch is-ie blij dat het er nu wel van gekomen is.

En anders zijn wij dat wel. Het is zeer de moeite waard.

Zonsondergang in Zaachilla
Kees Koppenaal, 2019
Uitgegeven bij Douane/ Waterstad
ISBN 978-94-93020-09-2
Paperback € 12,50
Te koop bij donner.nl en bol.com

P.S. Met de aanschaf van het boekje ondersteun je tevens Kees zijn goede doelen stichting www.laboya.nl , dat ten doel heeft kinderen in Indonesië en Peru naar school te kunnen laten gaan.

Jeroen van der Beek, oktober 2019

Jeroen van der Beek

Na in vele steden in binnen- en buitenland gewoond te hebben is Jeroen in 2004 in de Graaf Florisstraat komen wonen. Hij is beeldend kunstenaar en geeft daarnaast schilderworkshops in zijn huis in Frankrijk en rondleidingen in diverse musea. Jeroen is naast vele andere zaken vooral geïnteresseerd in geschiedenis. Voor de TelegraafFloris heeft hij zich o.a. verdiept in de Jodenvervolging in onze straat tijdens WO2.
Sinds 2010 schrijft hij voor deze krant.
Jeroen van der Beek

Latest posts by Jeroen van der Beek (see all)

Gerelateerde artikelen

Comments are closed.