Liesbeth Levy: Het water kruipt waar het niet gaan kan.

door • 22 december 2018 • Opinie

Rotterdam maakt deel uit van een netwerk van 100 resilient cities. Gesteund door de Amerikaanse Rockefeller foundation wordt onderzocht welke strategieën het meest effectief zijn als antwoord op de grote globale krachten die van invloed zijn op de steden van de toekomst.  Alles draait hierbij om het begrip ‘resilience’, vertaald als ‘veerkracht’. Het begrip resilience is afkomstig uit de biologie en staat voor het aanpassingsvermogen van organismen aan een nieuwe omgeving.

Op de website van de gemeente Rotterdam wordt weinig moeite gedaan om tot een begripsbepaling te komen maar wordt wel gesteld dat Veerkracht in het DNA van Rotterdam zit: “Als havenstad aan de Maas heeft Rotterdam leren omgaan met alle kansen en bedreigingen van water. Om ook in de toekomst te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen en uitdagingen, werkt Rotterdam aan verankering van resilience in de stad.”

Voor wie zich geroepen voelt op in actie te komen wordt onder het kopje eigen initiatieven de volgende suggesties gedaan: “Er is ook veel dat jij kan doen om Rotterdam weerbaarder te maken bij een aanval of een overstroming. Leg bijvoorbeeld een geveltuin aan zodat het overtollige regenwater beter weg kan stromen. Pak eens de fiets, verander je gasfornuis in een elektrische, beveilig jezelf of je bedrijf tegen cyberaanvallen.  Samen met Rotterdammers, bedrijven, kennisinstellingen en overheidsinstellingen, kunnen we een beweging op gang brengen waarbij we voorbereiden op mogelijke ‘schokken’. Samen maken Rotterdam echt resilient en toekomstbestendig!”

Ik word altijd behoorlijk wantrouwig als bij gebrek aan verbeeldingskracht begrippen uit de ecologie of biologie opeens met veel bombarie in gepositioneerd worden als de alfa en omga van toekomstbestendigheid. En al helemaal als daar het begrip transitie of een ‘beweging op gang brengen’ aan wordt verbonden. Wat dat betreft sluit ik me van harte aan bij de filosoof Hans Achterhuis. In het boek “Koning van Utopia” pleit hij voor kleine utopische experimenten die een antwoord kunnen zijn op de sociale gevolgen van de neo-liberale utopie.

Achterhuis neemt als voorbeeld Hegeliaanse hoogleraar ‘transitiekunde’ Jan Rotmans die van mening is dat de wereld zich in een kantelperiode bevindt: van een geordende centraal aangestuurde top-downsamenleving naar een horizontale, decentrale bottom-up samenleving. Daarbij wordt de oude ordening van bestaande instituties en organisaties vervangen door gemeenschappen, coöperaties en fysieke netwerken. Dit soort burgerinitiatieven ziet Rotmans op alle maatschappelijke terreinen verschijnen. Hij meent dat als deze transitie lukt we op een ‘hoger complexiteitsniveau in onze evolutie terecht komen’. Achterhuis plaatst hier de filosoof Martin Buber tegenover, die tegenover de abstracte transformatie van de samenleving de concrete transitie in de dialoog beschrijft als ‘het betreden van paden naar Utopia zonder heilsverwachting’.

In Middelland kruipt het water waar het niet gaan kan en wordt geheel in de geest van de heersende resilience strategie plannen ontwikkeld voor vergroening van de Graaf Florisstraat compleet met alternatieve riolering, een polderlandschap naast de Oostervant en is een Romeins implivium verschenen op het Henegouwerplein.
Het doet me denken aan het advies aan mensen in de koude oorlog om, als er een kernoorlog uitbreekt, onder de trap te schuilen. Als de watersnoodramp van 1953 ons iets geleerd heeft is dat we geen strategieën maar deltaplannen nodig hebben: Het water kruipt immers waar het niet  gaan kan.

Gerelateerde artikelen

Comments are closed.