“Mannen zijn het probleem. In het bijzonder witte mannen.”
Door: Nina Huygen en Liesbeth Levy
Begin november spreken wij Menna Laura Meijer in haar kantoor van mint film office aan het begin van de Graaf Florisstraat. Meijer is filmmaker, producent en denker. Al bijna een jaar hebben we geprobeerd haar te pakken te krijgen voor een interview voor de TeleGraafFloris. Maar het blijkt het wachten waard te zijn geweest. Haar nieuwste documentaire ‘Fortuyn: On-Hollands’ is net uit en als we elkaar spreken heeft nog geen Rotterdams medium heeft er aandacht aan besteed.
Wie met haar in gesprek gaat, is niet snel uitgepraat. Ruim twee en een half uur later en een pot thee verder, stappen we weer naar buiten. Het is een paar dagen na de Tweede Kamerverkiezingen. Het gesprek met Menna laveert steeds tussen politiek, persoonlijke observatie en woede. De woede is zelden luid, maar altijd precies: “Het grote verraad komt niet van extreemrechts, dat weet ik wel te plaatsen. Het verraad komt van links. Van witte, progressieve mannen die feminisme bejubelen maar thuis het laatste woord hebben. Van partijen die ‘integratie’ eisen maar macht nooit willen delen.”
“Ik identificeer mezelf als iemand van kleur”
Menna groeit op in een gezin van drie kinderen in het Brabantse Dongen, met een Indonesische vader en een Nederlandse moeder. Haar moeder was jong. Als ze ging werken, bracht ze Menna naar haar Indonesische familie waar haar grootouders en tantes in de eerste jaren voor haar zorgen. Ook al ziet ze er met haar blauwe ogen niet uit als Indonesisch, ze identificeert zich wel als een persoon van kleur. “Mijn vader was de enige man van kleur in een wit dorp. Daarmee was ik automatisch een kind van kleur.”

Wat ze daar als jong meisje meemaakte, liet haar later in haar leven doen inzien wat ‘-ismen’ doen: mensen tegen elkaar uitspelen in de eigen groep. Het is een soort onbewuste, onderliggende angst dat mensen van kleur bang zijn om voor andere mensen van kleur te worden aangezien. Verdeel en heers is een beproefde manier om macht te houden. Eén groep spint daar garen bij: de groep met de meeste macht en dat zijn vrijwel altijd witte mannen. Extreem rechts nu: ondermijnt de positie van vrouwen, van moslims, LHGBTQ. In de long run: ook joden.
Ze studeert journalistiek in Tilburg, gevolgd door de School voor Journalistiek in Utrecht. Daarna strijkt ze, begin jaren ’90, neer in de Maasstad.
Een stad zonder spiegel
Lang voelde Menna zich geen Rotterdammer. “Rotterdam was toen nog echt een dorp, winkels om vijf uur dicht en twee restaurants. Toch bleef ze. En dat zegt iets: over haar, over de stad, en over het ongemakkelijke huwelijk tussen die twee. “Er heerste in Rotterdam een anti-intellectueel klimaat. Alles wat met denken of analyseren te maken had, werd al snel als elitair en nodeloos ingewikkeld gezien.”
“In Amsterdam heb je een grote, vanzelfsprekende intellectuele klasse,” zegt ze. “Mensen die boeken bespreken, literatuur verbinden aan kunst en politiek, debatten, tijdschriften, zelfs op de lokale televisie had je programma’s gemaakt door kunstenaars van de Rietveld academie. In Rotterdam is dat altijd veel kleiner geweest. Denken lijkt hier vaak verdacht.”
Ze begon als schrijver, rolde het filmmaken in, ging ook produceren en bouwde een indrukwekkend oeuvre op: scherpe, politiek geladen documentaires die de stad, en het land, spiegelen. “Maar later, als ik oud ben, zal ik wel terugkeren naar Brabant, waar ik opgegroeid ben,” mijmert ze.
“Rotterdam is een rare stad,” zegt Meijer. “We zijn hier vaak de eerste met ongrondwettelijk politiek beleid: preventief fouilleren, spreidingsbeleid. En we zijn daar ook trots op.” Ze noemt het anti-intellectuele klimaat in Rotterdam pijnlijk, bijna beschamend. “Niet-intellectueel zijn is iets anders dan anti-intellectueel zijn. Het voelt vaak als een vanzelfsprekend verlengde van een sterk beleefde arbeiderscultuur vermengd met een Calimero-achtig underdog-gevoel. Rotterdam maakt er soms een badge of honour van om lekker gewoon te doen en daar hoort reflectie en analyse dan niet bij.”
Het is een slang die zichzelf in de staart bijt. “Als je niet nadenkt, niet reflecteert en intellectualiseert, hoe spiegel je dan jezelf? Hoe vind je dan de grotere verbanden tussen armoede, racisme, seksisme, als niemand de vraag stelt: wat zegt dit allemaal over onszelf, hoe is dit met ons verbonden, hoe vind je dan antwoorden?”
Die behoefte aan zelfonderzoek loopt als een rode draad door haar werk. En nergens komt dat zo scherp samen als in haar meest recente project: Fortuyn: On-Hollands. Maar dat moet nog even wachten. Eerst Menna zelf.
Van pen naar camera
Ze was begin jaren ‘90 in Rotterdam komen wonen, wist nog niet goed was ze wilde. Ze is gaan schrijven voor het tijdschrift Circuit dat gratis in de horeca werd verspreid. Fons Burger was hoofdredacteur. Francisco van Jole, Ted Langenbach en Pietra Ligura schreven er ook voor. Frans Vogel fotografeerde. Ze hielden redactievergaderingen boven Rotown, de club die diezelfde Fons Burger had opgezet. Ze hield interviews met mensen als Wilfried de Jong, Lee Towers en andere Rotterdamse iconen. “We zaten ’s ochtends vaak bij het Westerpaviljoen, nadat de kinderen naar school waren gebracht.” Het was Bob Visser (producent van Neon Film/TV, overleden in 2023) die haar op een dag vroeg: ‘Waarom maak je niet gewoon een film? Als je een artikel kunt schrijven, dan kun je ook een film maken. Probeer het gewoon.’ En zo is het film maken voor Menna begonnen. “Bob is de inspirator geweest van heel veel carrières. Hij gaf je een idee, moedigde je aan, regelde een afspraak voor je, verbond met mensen met elkaar. En de rest moest je zelf doen.”
Dat werd haar eerste documentaire, Tags (1997). “Ik had geen idee wat ik deed,” zegt ze lachend. “Maar ik kreeg geld van het Rotterdams Filmfonds en de NTR. Het werd mijn leerschool.” Vanaf toen is ze als autodidact films blijven maken. “Ik heb van niks heel veel kennis,” zegt ze met een glimlach. “Ik ben geen filmnerd. Ik ben iemand die ideeën bedenkt, en daar vervolgens beelden bij zoekt.” Dat nuchtere zinnetje zou zomaar haar motto kunnen zijn. Het tekent haar manier van werken: niet vertrekkend vanuit het medium, maar vanuit een vraag, een frictie, een maatschappelijke wond.
Later is ze ook haar eigen productiehuis gaan runnen, mint film office, waar ze lange documentaires produceert – vaak met jonge makers van kleur, vaak over thema’s die in Nederland liever niet worden aangeraakt, over thema’s die de norm in vraag stellen. “Ik werk met mensen die de wereld niet vanzelfsprekend vinden. Die niet vanuit privilege werken, maar vanuit persoonlijke ervaring en drijfveren om dat perspectief toe te voegen aan hoe we gemiddeld denken en kijken.
“Documentaire in Nederland gaat vaak over het onderwerp en zelden over het makerschap,” zegt ze verontwaardigd. “Er worden langere stukken over voetbal geschreven dan over een documentaire. Hoe die gemaakt is, waarom een filmmaker zo werkt. Alsof de film vanzelf uit de lucht komt vallen. Maar alles in een film is een keuze: Wie laat ik aan het woord? Wat is het perspectief? En wie wordt vergeten?”
Drijfveer
Ze is een autodidact. “Ik ben niet iemand bij wie film door het bloed stroomt. Bij sommige makers zit het medium in alle vezels van hun lichaam. Ik werk bij mint met filmmakers die alles zelf doen – camera, geluid, muziek, de poster. En niet omdat het moet, of omdat er niet genoeg geld is, maar omdat ze het echt kunnen. Hun werk wordt door het zelf te doen vanuit al die elementen opgebouwd. Ik moet het telkens opnieuw uitvinden. Voor mij is film meer een vorm van denken waar beelden bij komen.”
Wat haar drijft is niet ideologie, maar nieuwsgierigheid. “Films kunnen bij mij beginnen vanuit een gedachte, een bepaald beeld, het is niet vaak het onderwerp. Ik begin met een vraag, een intuïtie, en dan groeit er iets.”
Ze herinnert zich hoe Fortuyn: On-Hollands begon. Ze was aan het brainstormen met een andere regisseur en ze bespraken dat 20 jaar het perfecte aantal jaren is om terug te kijken. “We googelden: wat gebeurde er twintig jaar geleden?” Het antwoord: Fortuyn. “Toen dacht ik: stel dat je naar zo’n oer Hollandse geschiedenis over identiteit kijkt door de ogen van bi-culturele mensen. Hoe hebben zíj dat ervaren? Dat perspectief ontbreekt volledig in onze geschiedschrijving.”
Fortuyn: On-Hollands – een spiegel van wit Nederland
Acht afleveringen, ruim acht uur film. Vijf jaar archiefonderzoek. Fortuyn: On-Hollands is geen klassieke biografie, geen hagiografie, geen moordverhaal. Het is, zoals Meijer zelf zegt, “geen film over Fortuyn, maar over Nederland. En vooral wit Nederland ”.
De serie reconstrueert de opkomst en erfenis van Pim Fortuyn, maar plaatst die in een veel bredere context. Aan de hand van nieuw gevonden archiefbeelden, talkshow-fragmenten en gesprekken met Rotterdammers – migranten, activisten, politici, journalisten – ontvouwt zich een portret van een land dat zichzelf niet meer herkende.
“We hebben het nog altijd over Fortuyn alsof hij uit de lucht kwam vallen,” zegt Meijer. “Maar hij kwam voort uit een samenleving die helemaal klaar was voor zijn gedachtengoed. Zoals hij zelf zegt – ‘Als wat ik zeg geen voedingsbodem had, dan viel het dood neer’. Zijn succes vertelt iets over ons; onze angsten, onze verlangens, ons onvermogen om echt te luisteren.”
De lange schaduw van Fortuyn
Fortuyn was, in haar woorden, “het product van een Nederland dat zichzelf heel tolerant en ruimdenkend vond. Niet seksistisch, niet racistisch, maar liberaal”. Fortuyn sprak over islam, integratie, openlijke homoseksualiteit – thema’s die in 2002 vaak taboe waren in de politiek, maar al volop leefden in de cafés en talkshows.
“Zijn politiek was persoonlijk,” zegt Meijer. “Zijn politieke, anti-islam agenda was heel direct gekoppeld aan zijn eigen homoseksualiteit. Een discussie over de hoge werkeloosheidscijfers pareerde hij met dat er genoeg werk is want hij kon niet eens een tuinman vinden en ook geen witte werkster. Daar leek dan in interviews geen speld tussen te krijgen, maar het is natuurlijk op z’n zachtst gezegd weinig steekhoudend, en ook manipulatief.”
In de film laat ze zien hoe de media geen genoeg kon krijgen van Fortuyn’s flamboyante stijl en spektakel. Hij was aantrekkelijk en afstotelijk tegelijkertijd. Heel fout en heel leuk. De hoer en de maagd. Een garantie voor veel kijkers en lezers. Tegelijk legt ze bloot wat minder vaak wordt benoemd: hoe heel veel Nederlanders zich in hem herkenden. “Fortuyn was niet de stem van de onderklasse,” zegt Meijer. “Hij was de stem van heel veel mensen, middenklasse, maar ook liberale well-to-do VVD’ers, mensen die deep down sowieso liever met eigen soort leven, bang waren hun verworvenheden te verliezen.”
Het lichaam dat ontkend werd
Een van de meest aangrijpende lijnen in de serie gaat over Fortuyn’s homoseksualiteit. “Ik wilde hem dat lichaam teruggeven,” zegt Meijer. “Hij is gestorven als politicus, niet als homo. Maar zijn seksualiteit was een essentieel onderdeel van zijn identiteit, van zijn politiek zelfs.”
Ze vertelt hoe rechtse en extreemrechtse media Fortuyn nu “ont-homoot”: “Ze knippen uit de trailer de stukken over zijn homoseksualiteit eruit omdat dat niet meer past bij een radicaal en extreemrechts boegbeeld. Voor Fortuyn was zijn homoseksualiteit onlosmakelijk verbonden met zijn anti-islam retoriek. Voor rechtse politici die zeggen op de schouders van Fortuyn te staan, is die homoseksualiteit onwelgevallig – zij willen conservatieve waarden en daar hoort geen kussende homoman bij die enthousiast en openlijk over zijn seksleven spreekt. Fortuyn heeft een rechts discours gelegitimeerd dat nu ingaat tegen dat persoonlijke deel van hem.”
Het maakt Fortuyn: On-Hollands tot een pijnlijke, maar noodzakelijke film. Niet over één man, maar over de mechanismen die hem maakten – en ons allemaal.
Een stad die niet keek
Vijf jaar werkte Meijer aan de film. Vijf jaar in het instituut voor Beeld & Geluid, het Stadsarchief, tussen vergeelde kranten, vergeten debatten, onafgewerkte transcripties. En toen de film eindelijk klaar was, gebeurde iets opmerkelijks: in Rotterdam bleef het oorverdovend stil.
Geen enkel groot Rotterdams medium schreef over de première. De gemeente niet, de culturele instellingen evenmin. “Tekenend,” zegt Meijer. “De eerste grote bespreking was in Het Parool – de meest Amsterdamse krant. Terwijl de film is acht uur geschiedenis van Rotterdam, beelden vanaf de jaren ’90, uit de wijken, met gewone mensen, de lokale politiek, en één van de bekendste ‘Rotterdammers’. Blijkbaar gaan we niet graag de confrontatie aan met onze eigen geschiedenis. Ik vraag me dan af; wanneer ga je beseffen dat dit verhaal óók over jou gaat?”
De grenzen van links
Het gesprek met Meijer verschuift moeiteloos van film naar politiek. Haar stem wordt scherper wanneer het over “het grote verraad van links” gaat.
“Extreemrechts weet ik te plaatsen. Maar links – dat is ingewikkelder. De witte progressieve mannen die feminisme bejubelen maar thuis het laatste woord hebben. De partijen die integratie eisen maar macht niet willen delen. Dat is voor mij het echte verraad.”
Ze ziet hoe termen als gelijkheid en diversiteit leeg zijn geworden. “Integratie betekent in feite: jij moet worden zoals wij. Terwijl echte gelijkheid betekent: wij moeten macht delen. Maar dat doet niemand graag.”
Haar film is ook daar een spiegel van: niet alleen Fortuyn wordt bevraagd, maar ook de linkse elite die zich later achter het gedachtengoed van Fortuyn en extreemrechts schaarden. Rob Oudkerk, Joost Niemoller, Leon de Winter – allemaal ooit linkse culturele elite – mannen die als 50-ers de draai naar anti-migratie, Islamofobie en radicaal rechts maakten.
De kunst van het luisteren
Een documentaire is goed als de maker niet een gelijk bewijst, maar heeft geluisterd. “Tijdens de research en het filmen werkt het niet als je als maker boven de ander gaat staan. Je creëert in interviews een situatie waarin mensen zich hopelijk veilig genoeg voelen om te vertellen. Dat is de enige manier waarop echte verhalen worden verteld.”
Die houding komt ook terug in de structuur van haar film. Er is geen voice-over die uitlegt, geen oordeel. Er is ruimte voor stilte, voor aarzeling. “Mensen denken dat neutraliteit objectiviteit is, maar dat is niet zo. Je maakt in een film honderden keuzes die bepalend zijn voor perspectief en invalshoeken. Neutraliteit is voor mij een vorm van lafheid. Tegelijkertijd heeft de film een heel duidelijk doel en perspectief. Die constructie ontstaat vooral in de montage. Daar laat je de hoofdpersonen soort van los om de film te maken die van jezelf is. Dat is confronterend – niet alleen omdat je niet zeker weet of je het materiaal hebt, of het lukt, maar ook of je het durft om de uitspraken te doen. Ik wist bij het schrijven van het filmplan al dat ik de aantrekkelijkheid van Fortuyn wilde koppelen aan een midlife crisis van Nederland. Het overgrote deel van zijn stemmers waren witte mannen op middelbare leeftijd en ik wilde de angst voor de ander, de angst voor de viriliteit van de ander, waar het bloed nog wild door de aderen stroomt, die als je niet uitkijkt je vrouw verleidt, die racistische sentimenten wilde ik spiegelen aan de simplistische retoriek dat er meer geld en plek is voor ons als migranten weg gaan. Het vergt moed om die uitspraken te doen. Ik maak me op voor dat gevecht in de montage en als het werkt is het een rechtse hoek, of een linkse, als de film uitkomt. De uitspraken die de film doet en die ik vaak extra aanzet in interviews, irriteren mensen.
Het gesprek dat niet gevoerd wordt
“Het is een probleem,” zegt Meijer, “dat we in Nederland praten óver mensen, niet mét mensen.” Ze wijst op hoe discussies over migratie en integratie worden gevoerd zonder de betrokkenen aan tafel. “We vinden het vanzelfsprekend dat we over migratie praten zonder migranten. Dat is absurd, maar niemand lijkt het te merken.”
In Fortuyn: On-Hollands doorbreekt ze dat. Ze laat de stemmen horen van mensen die destijds werden genegeerd en niet vanzelfsprekend als gesprekspartner aan tafel uitgenodigd werden. Mensen van kleur, de mensen over wie het hele debat ging, maar ook vrouwen. Niet als illustratie, maar als medevertellers. “Het gaat er niet om dat iedereen gelijk heeft,” zegt ze. “Het gaat erom dat iedereen onderdeel is van het gesprek.”



Who’s Your Daddy – het volgende hoofdstuk
Na Fortuyn: On-Hollands werkt Meijer aan een nieuwe film: Who’s Your Daddy. Een documentaire over de morele en politieke geschiedenis van de foetus. “We denken dat ‘baas in eigen buik’ een feministische verworvenheid is,” zegt ze, “maar de betekenis van dat lichaam wordt al eeuwenlang bepaald door kerk en wetenschap. Als vrouw mag ik in Nederland mijn zwangerschap aborteren. Maar of ik het wil of niet, het moreel verantwoord vind of abject, dat wordt bepaald door veel grotere en machtigere constructies dan ik zelf; door wetenschappers, pausen en koningen. Partijen die er belang bij hebben de macht over de foetus te behouden.
Zoals altijd bij haar is het geen medisch, maar een maatschappelijk verhaal. “Het gaat over macht, over bezit, over hoe we bepalen wat leven waard is.” Ze lacht: “Ik blijf films maken zolang ik iets heb wat ik niet begrijp.”
Geen toekomst zonder verleden
Ik vraag haar wat ze nog hoopt. Ze schudt haar hoofd. “Hoop, als in wat hoop ik voor de toekomst, vind ik lastig. Ik heb vier dochters, en ik wens ze het beste toe. Maar als ik eerlijk ben: ik heb geen helder toekomstbeeld. De klimaatcrisis, de verrechtsing. Ik ga er vanuit dat mijn dochters en hun kinderen, als ze die krijgen, heel veel strijd te voeren krijgen. Ik ga er vanuit dat verworvenheden waarvan we dachten dat ze vanzelfsprekend waren afgepakt zullen worden. Dat het voor vrouwen, mensen van kleur, veel erger zal worden dan het nu is. Dat is trouwens best een helder toekomstbeeld, alleen geen leuk beeld. Maar dat is oke.”
Dan zegt ze iets wat blijft hangen: “Denken over de toekomst heeft geen zin als je niet eerst eerlijk kunt kijken naar wie je vroeger was en wie je nu bent. Dat is precies wat ik met Fortuyn: On-Hollands wilde laten zien. Niet: waar gaan we heen? Maar: waar komen we vandaan, en wat hebben we onderweg niet willen zien?”
Voor haar is dat de kern van medemenselijkheid: niet wegkijken van het leed van anderen, maar het erkennen. “Alles wat van waarde is, gaat daarover. Niet winnen, niet gelijk krijgen, maar zorg, empathie, aandacht.”
“We praten altijd over de toekomst, maar als je niet eens eerlijk kan kijken naar wie je vroeger was en wie je nu bent, dan is toekomstdenken een lege oefening. Medemenselijkheid is het enige dat overeind blijft.”
De straat als microkosmos
En dan komen we op de Graaf Florisstraat, waar Meijer al jaren woont. “Het is een gekke straat,” zegt ze. “Je woont in West, maar het is natuurlijk een enclave. De Graaf Florisstraat is geen doorsnee Rotterdam-West-straat: het overgrote deel van de mensen hier is bevoorrecht, welbespraakt, zelfbewust en 1,5 kind. Je zit midden in de stad, maar met al die privileges toch een eind weg.”
Ze vertelt hoe ze hier kwam wonen toen ze zwanger was van een tweeling. De bovenbuurvrouw kwam met een pan soep. “Ik vond dat toen, 22 jaar geleden, best vreemd, dat je zo persoonlijk in contact bent met elkaar. Maar ik realiseer me nu goed hoe bijzonder en belangrijk dat is.”
Ze houdt van haar straat, al schuurt het soms. De sjamanistische buurvrouw die haar verbood in de tuin te bellen. “Dat is straatleven: je leert er met mensen leven. Niet theoretisch, maar praktisch.” Ze glimlacht. “Je moet ook volwassen worden in een straat. Je hoeft niet overal aan mee te doen, maar het is goed om te weten dat je deel bent van iets.”
“De buurt verandert, maar mijn leven verandert ook. De kinderen speelden de hele dag buiten, alle buren met kinderen hadden de voordeuren open staan zodat iedereen in en uit kon lopen. Iedereen zat op de Montessori Essenburgsingel. Ze logeerden bij elkaar en wij ouders dronken op zomeravonden wijn op de stoep. Nu zijn de kinderen groot en is dat contact veranderd. Dat is ook ouder worden.”
Slot – de stad, de film, en wij
Aan het einde van het gesprek kijkt Meijer uit het raam. “Ik vind het moeilijk dat we zo weinig nieuwsgierig zijn naar elkaar,” zegt ze zacht. “Dat we er niet op durven vertrouwen dat wat wij graag voor onszelf wensen dat dat ook is wat andere mensen voor zichzelf willen. Dat we vaak dezelfde dromen en angsten hebben. Dat wat ons verbindt veel groter is dan wat ons mensen van elkaar scheidt.”
Haar film dwingt juist tot nieuwsgierigheid. Ze laat zien hoe een man als Pim Fortuyn niet alleen een politicus was, maar een spiegel waarin Nederland zichzelf nog altijd ziet – soms met afkeer, soms met heimwee, zelden met begrip. Maar ook dat we via mensen van kleur op een andere manier in die spiegel kijken.
En dat is precies de kracht van Fortuyn: On-Hollands: hij laat zien dat geschiedenis niet iets is wat voorbij is, maar iets wat in ons doorgaat. In onze gesprekken, onze angsten, onze straat.
“We praten altijd over de toekomst,” zegt Meijer, “maar hoe we nú met elkaar omgaan en leven is het belangrijkste dat er is.”
“Wat is van waarde? Niet wegkijken van het leed van anderen. Niet wegkijken van jezelf. Dat is wat ik geloof.”
In haar huis aan de Graaf Florisstraat, tussen de buren, de verhalen en de stad die haar nog steeds niet helemaal begrijpt, werkt Menna Laura Meijer verder. En misschien is dat precies wat Rotterdam nodig heeft: iemand die blijft kijken, juist als de rest wegdraait.
- Menna Laura Meijer - 19 december, 2025
Café de Wilde Mossel Volgend artikel:
Eerste bijeenkomst
