Beeldend kunstenaar, kunstdocent, voortzetter van de Tekenclub en betrokken buurvrouw. Carine Hooykaas ziet overal mogelijkheden: in een toevallige lichtinval, een stapeltje restpapier, een gevonden kroonluchter of een praatje op straat. Haar leven staat in het teken van kijken, creëren en contact maken. Want schoonheid zit vaak in kleine dingen — net als de kracht van een buurt.
In de rubriek Lokale Helden portretteer ik betrokken bewoners die iets doen voor hun omgeving. Mensen die activiteiten organiseren, ontmoeting mogelijk maken en zich inzetten voor schoonheid, properheid en de ander. Omdat ze het leuk vinden, omdat ze zich medeverantwoordelijk voelen of omdat het hun leven betekenis geeft. Ter inspiratie en aanmoediging, en als eerbetoon aan de stille krachten die een buurt tot een gemeenschap maken.
Dit keer: Carine Hooykaas. Een kunstenaar die vijgen uit eigen tuin uitdeelt, waarschuwt wanneer een deelauto dreigt te worden weggesleept en mensen bij elkaar brengt met kunst. Altijd nieuwsgierig, altijd bezig en altijd met oog voor de mensen om haar heen.
Een beetje toeval, een goed stel ogen
Wie bij Carine aanbelt, krijgt meteen een voorproefje van haar kunstenaarschap. Achter de ramen aan weerszijden van de voordeur hangen kleurrijke stroken. Het is eigen werk, en zodra ik ernaar vraag, volgt een uitgebreid verhaal over het ontstaan ervan. Het blijkt tekenend voor Carine: ze kijkt goed, legt verbanden en ziet mogelijkheden waar anderen misschien gewoon voorbijlopen.
Het werk ontstond vanuit een project van Feest voor de Geest, waarbij kunstenaars werden uitgenodigd om kunst te maken in een gebedshuis rond een bepaald thema. Carine koos voor het Apostolisch Genootschap in Delft, waar het thema ‘troost’ centraal stond. Het gebouw had een nieuwe entree gekregen. Carine vond die nogal saai: ‘Een soort groot bushok, rechttoe rechtaan van glas. Dat schreeuwde erom onder handen genomen te worden.’
Maar hoe geef je troost vorm? Carine vroeg de leden welke kleur troost voor hen had. In welke kleur zouden ze troost willen ontvangen, en in welke kleur zouden ze die willen geven? Aanvankelijk kozen ze vooral zachte tinten. Tot Carine hun vroeg zich een knuffel voor te stellen. Liever een zachte of een stevige? Dat leverde ineens krachtigere kleuren op. Ze turfde de antwoorden en vertaalde de uitkomsten naar een compositie van gekleurde foliestroken op glas.
Later volgde een uitnodiging voor een tentoonstelling in Pictura in Dordrecht. Omdat het oorspronkelijke werk vastzat aan het gebouw, moest ze iets nieuws maken. Ze gebruikte hetzelfde procedé, maar nu met stroken die los in de ruimte hingen. Bij een volgende presentatie, in De Ruit in de Zalmhaven, gebeurde er iets wat ze onmogelijk vooraf had kunnen bedenken. Terwijl ze de stroken ophing, weerkaatste de zon via de Zalmtoren aan de overkant. Lichtstrepen vielen door het kunstwerk en bewogen door de ruimte. ‘Zoiets kun je niet van tevoren verzinnen, maar ontstaat gewoon.’
Een deel van het werk hangt nu naast haar voordeur. En er zijn nog enkele exemplaren te koop. Wie nieuwsgierig is, kan de gegevens bekijken op het raam van nummer 48.
Het is een mooi voorbeeld van hoe Carine werkt: met een plan, maar zonder alles dicht te timmeren. Goed kijken, iets uitproberen en openstaan voor wat er onverwacht ontstaat. Meer van haar werk is ook te zien op haar website: www.Carinehooykaas.nl (De website van de kunstenaar loopt altijd achter, dus niet al haar laatste werk is er te zien).

Van de Biesbosch naar de Graaf Florisstraat
We vervolgen het gesprek in haar werkkamer op de eerste verdieping, ooit haar kinderkamer. Carine woont al het grootste deel van haar leven in de Graaf Florisstraat, maar haar wieg stond in Dordrecht, in Dubbeldam. Als kind groeide ze op vlak bij de Biesbosch, een heerlijke omgeving.
De overgang naar de lagere school verliep minder prettig. Haar dyslexie en dyscalculie werden niet herkend. Ze werd als dom bestempeld en er werd zelfs geopperd dat ze beter naar een mytylschool kon. Haar moeder dacht daar anders over. ‘Dat gaan we niet doen.’ Via buren hoorden haar ouders over een Vrije School die in Dordrecht was opgericht. Na de herfstvakantie kon Carine er terecht. Dat bleek een schot in de roos. Na twee weken zei haar vader opgelucht: ‘Ik heb mijn vrolijke meisje weer terug.’
De bovenbouw van de Vrije School bevond zich in Rotterdam. Haar vader Frans werkte daar ook, bij architectenbureau Van den Broek en Bakema. Toch was het niet haar school of haar vaders werk die het gezin uiteindelijk naar Rotterdam bracht.
Haar moeder Ineke, poppenmaker en marketeer, kreeg een scheur in haar aorta. Met gillende sirenes werd ze naar het ziekenhuis vervoerd. In Dordrecht konden ze haar niet helpen, maar in het Dijkzigt werd haar leven gered. Daarna volgde een lange revalidatie. Carine was dertien en werd al jong mantelzorger. Het gezin zocht een woning dicht bij het ziekenhuis, voor het geval het opnieuw mis zou gaan. Het liefst met een ruime benedenverdieping, want het was onzeker of haar moeder ooit weer trappen zou kunnen lopen.
In het NRC vonden haar ouders een piepkleine advertentie voor een ruime woning in de Graaf Florisstraat. Het huis had een bewogen geschiedenis: het was van Pameijer geweest, had lang leeggestaan en was gekraakt. Een koper had het overgenomen voordat de krakers zelf de middelen bij elkaar hadden om het te kopen. Maar nog voordat hij er zelf ging wonen, liep zijn huwelijk op de klippen en moest hij het huis weer van de hand doen. Zo kwam de familie Hooykaas er terecht. Haar moeder herstelde gelukkig steeds verder en kon ook weer traplopen. Evengoed werd de bovenste verdieping alleen gebruikt om de was op te hangen. Ruimte zat.


Een straat die toch niet anoniem bleek
Als puber had Carine weinig aansluiting bij de straat. Ze kon goed met de buren opschieten, maar het was een andere tijd: er was drugsoverlast, er vielen doden in Hotel Floris, er waren architectenbureaus en er woonden nauwelijks kinderen, laat staan leeftijdsgenoten.
Na de middelbare school ging ze naar de Academie van Beeldende Kunsten, tegenwoordig de Willem de Kooning Academie. Op haar eenentwintigste had ze geen zin meer om de hele tijd bij haar ouders te zitten, ze ging op zoek naar een eigen plek. Ze stelde voor de tweede verdieping van het ouderlijk huis te betrekken. Samen met haar vader verbouwde ze de ruimte tot een eigen woning, met keuken en woonkamer.
Later dat jaar overleed haar moeder. Acht jaar lang had ze met pijn geleefd, maar ze bleef die periode met humor en daadkracht tegemoet treden. ‘Ik heb haar daar altijd om bewonderd,’ zegt Carine liefdevol. Op het laatst begon haar moeder te dementeren. ‘Ze noemde mij Carla. Zo heette haar zus.’
Na haar overlijden ontdekte Carine dat de straat minder anoniem was dan ze had gedacht. Er kwamen bloemen, mensen kookten voor haar, er werd meegeleefd en voor haar en haar vader gezorgd. Ze voelde zich gedragen. ‘Ook al was ik vooral bezig met de zorg voor mijn moeder, dat werd gezien. Er was toch ook zorgzaamheid om me heen.’
Jaren later, tijdens haar eigen ziekteproces, ervoer ze dat opnieuw. Het voelde hartverwarmend. Een herinnering springt er voor haar uit. Rosanne, een vrouw die op straatfeesten zong en met wie Carine samen had gekookt, stond op een dag voor de deur. Carine had door haar behandeling net haar haar verloren. Rosanne hield haar een grote blauwe knikker voor. ‘Hier, een kale knikker voor je!’ Carine schiet weer in de lach als ze het vertelt. ‘Ik moest zó hard lachen. Dat kwam precies op het goede moment.’ Soms is aandacht geen groot gebaar, maar precies het juiste gebaar op het juiste moment.
Kunst maken is mooi, mensen ontmoeten ook
Een jaar na het overlijden van haar moeder studeerde Carine af aan de Academie. Ze probeerde vervolgens twee jaar lang uit of ze fulltime kunstenaar wilde zijn. Het antwoord was duidelijk: nee.‘Kunstenaar zijn is een eenzaam beroep. Ik wil graag onder de mensen zijn. Zonder contact met mensen kan ik niet.’
Lesgeven leek haar een goede combinatie van kunst en mensen. Ze zag een vacature bij de Vrije Academie in Delft, een amateurcentrum voor de kunsten, en werd aangenomen. Sinds 1997 geeft ze er kunstlessen aan kinderen. Inmiddels krijgt ze zelfs kinderen van voormalige leerlingen in de klas. ‘Kinderen groeien met je mee.’ Daarnaast verzorgt ze workshops voor kinderen en volwassenen, waarin deelnemers allerlei kunstvormen kunnen uitproberen.
Het verschil tussen lesgeven aan kinderen en volwassenen? Dat is kleiner dan je misschien zou denken. ‘Ik doe exact hetzelfde met de volwassenen. Inhoudelijk is het net iets moeilijker en doordachter, maar het principe is hetzelfde.’ Scheuren wordt knippen, een prikpen wordt een mes. En of de deelnemers nu vijf of vijfenzeventig zijn, dezelfde vragen keren terug. Mag ik geel gebruiken? Mag ik dit doen? Is het wel goed? ‘Het ligt er! Gebruik het!’
Carine ziet hoe graag mensen bevestiging zoeken. Maar ze ziet ook iets anders: het enthousiasme waarmee ze hun werk komen laten zien. ‘Dan blijven ze dicht bij hun kind-zijn. Dan weet ik dat ik het goed heb gedaan.’
Wel merkt ze dat kinderen tegenwoordig eerder worden afgeremd. Waar ze vroeger tot hun elfde of twaalfde onbevangen aan het experimenteren waren, ziet ze nu al bij jonge kinderen meer voorzichtigheid. Soms mogen ze thuis niet meer knippen omdat een schaar gevaarlijk zou zijn. Ook op school worden grenzen gesteld aan wat ze mogen proberen. Wil Carine een lijmpistool gebruiken, dan klinkt het al snel: ‘Dat mag ik niet hoor!’ Angst en risicomijding lijken steeds meer ruimte in te nemen. Carine vindt het jammer. Juist door te experimenteren, fouten te maken en onverwachte dingen te ontdekken, ontstaat er iets nieuws.

De schoonheid van wat je niet bedenkt
Als beeldend kunstenaar werkt Carine met uiteenlopende technieken: illustraties, zeefdrukken, etsen en collages. Als een ontwerp om een techniek vraagt die ze nog niet kent, maakt ze zich die eigen. Ze ziet zichzelf ook ruimtelijk werk maken. Beeldhouwen trekt haar minder.
Haar inspiratie komt vaak uit kleine dingen en toevallige vondsten. Een paar jaar geleden maakte ze zeefdrukken voor een tentoonstelling over architectuur. Het afvalpapier dat daarbij ontstond, deed haar denken aan pleinen en aan Venetië, een stad die ze geregeld bezoekt tijdens de Biënnale.
Venetië blijkt 139 pleinen te hebben. Waarom moeten die allemaal van marmer of bruine baksteen zijn? Waarom niet kleurrijker? Bij toeval ontdekte Carine een boekje waarin alle pleinen waren opgenomen. Ze begon vormen te onderzoeken en werkt inmiddels aan een reeks die nog alle kanten op kan. Lange tijd kwam ze niet verder. Tot ze papier meenam dat overbleef van haar kinderlessen. ‘Geef zes kinderen een papiertje en een schaar, en je krijgt zes keer verschillende vormen. Dit zijn vormen die je niet kunt verzinnen.’
Op gevoel legde ze de reststroken bij elkaar. Het resultaat: 140 collages op A5-formaat. Twaalf daarvan werkte ze uit tot grotere zeefdrukken. Zo ontstaan haar werken: door te kijken, te associëren en te combineren. Door schoonheid te ontdekken in wat toevallig ontstaat en daar vervolgens iets nieuws van te maken.
Ook architectuur en fotografie inspireren haar. En haar eigen werk brengt weer nieuwe ideeën voort. Iemand ziet een werk en merkt op dat het mooi zou zijn in glas. Carine raakt nieuwsgierig en onderzoekt die mogelijkheid. Een ander vraagt of een ets ook als muurschildering kan worden uitgevoerd. Nooit gedaan? Dan gaat ze aan de slag. Want het kàn wel. En Carine kan het.
Carine heeft niet alleen les gehad op de Vrije School. Tegenwoordig hangt er ook kunst van haar. ‘Ik heb mijn stempel daar wel achter gelaten’, grinnikt ze. In de aula van de middelbare school hangt een raamwerk van haar hand. De school wilde graag glas-in-lood, maar dat bleek te duur. Carine onderzocht alternatieven en kwam uit bij folie op glas, dezelfde techniek die nu ook bij haar thuis te zien is. Ook de Vrije (basis)school in Dordrecht heeft werk van haar. Daar mocht ze de hele noordgevel onder handen nemen. De school wilde de kinderen graag betrekken, en dat kwam goed uit. In workshops onderzochten ze samen de volgorde van de kleuren. Het resultaat doet denken aan een regenboog, maar is het nadrukkelijk niet.



Een kroonluchter op de fiets
Wie Carines werkkamer binnenstapt, ziet dat ideeën bij haar niet lang op de plank blijven liggen. Overal liggen kunstwerken, materialen en spullen voor haar lessen. Op een blouse zijn onderarmen en handen afgebeeld. Ze maakte die als cadeau voor haar fysiotherapeut en drukte hetzelfde motief ook op een T-shirt voor zichzelf.‘Die heb ik op de achterkant bedrukt. Als ik dat T-shirt aan heb, word ik omhelsd.’Typisch Carine: een speelse gedachte, een onverwachte toepassing en een flinke dosis humor.
Dan haalt ze een doos tevoorschijn. ‘Kijk, gevonden op straat!’ Om de hoek werd een pand ontruimd. Twee kroonluchters waren uit het raam gegooid. Carine nam ze mee. Dat was nog een heel gesjouw, met de kroonluchters aan het stuur van haar fiets. Onderweg moest ze omstanders vragen even te helpen. Thuis haalde ze de kroonluchters uit elkaar. De opbrengst: een verzameling van 158 prisma’s. Die komen uitstekend van pas bij lessen over licht. ‘Nu kan ik ze uitdelen aan de leerlingen.’
Haar werkterrein beperkt zich niet tot haar eigen huis. In De Kroon, atelier Minnigh, deelt ze met 21 andere kunstenaars verschillende grafische apparaten. Daar staat ook haar grote etspers. Het atelier is niet alleen een werkplek, maar ook een plek om anderen te ontmoeten. Want alleen werken mag dan bij het kunstenaarschap horen, alleen willen zijn is iets anders.
Kunst als taal voor wat moeilijk te zeggen is
Voor Carine is contact essentieel.‘Een mens kan niet alleen leven, we zijn sociale dieren. Je kunt de ander en jezelf verrijken door samen te werken.’Dat hoeft niet groots of ingewikkeld te zijn. Het kan zitten in een knikje naar een medepassagier in de trein die, net als jij, een boek leest terwijl de rest op de telefoon kijkt. In een glimlach op straat. In een praatje met een buur.‘Het lijkt klein, maar is zo essentieel. Het gaat erom dat je gezien wordt.’Misschien heeft ze dat juist doordat ze al jong mantelzorger werd, vroeg geleerd. ‘Ik was dertien jaar toen ik mantelzorger werd. Dan zit het in je DNA.’
Ook kunst is voor haar een manier om contact te maken. Het kan een toegangspoort zijn tot een diepere laag van jezelf, en helpen om ervaringen te verwerken. Dat ziet ze duidelijk in haar vrijwilligerswerk voor De Vrolijkheid, een programma met kunstworkshops, muziek en theater voor jongeren tot 21 jaar in asielzoekerscentra. Al vijftien jaar verzorgt ze daar, met tussenpozen, lesblokken van zes tot acht bijeenkomsten.
Bij jonge kinderen ziet ze vaak nog vrolijkheid, ondanks de omstandigheden. ‘Omdat ze nog niet weten waarom ze daar zijn.’ Bij oudere kinderen en pubers sijpelt steeds meer door van wat ze meemaken. Dat zie je terug in hun werk. In een tekening van zonnebloemen verschijnt ineens een schip met mensen erop. ‘Wat ze hebben meegemaakt, moet eruit. Kunst is een manier om ellende te verwerken. Hoe jong je ook bent, het zit in je lijf.’
Ziek zijn, kijken en doorgaan
Toen Carine zelf kanker kreeg, ontdekte ze opnieuw hoe kunst kan helpen om een moeilijke periode door te komen. Ze maakte een project van haar ziekte, niet met de bedoeling kunst te maken, maar om zichzelf bezig te houden.Elke dag werkte ze eraan. De dagen gingen daardoor sneller voorbij. Het gaf haar een manier om uitdrukking te geven aan wat ze doormaakte en om na te denken terwijl het gebeurde.‘Het was voor mij een manier van verwerken terwijl je het ondergaat.’Tijdens de bestralingen maakte ze bijvoorbeeld een alfabet in tekeningen. Ook fotografeerde ze zichzelf iedere dag en voegde ze beelden toe aan de foto’s. Een blad uit haar tuin, met een prachtige nerf, leek dan uit haar hoofd te groeien. Andere dagen verbeeldde ze hoe ze zich voelde: blij, lelijk, vrij of stekelig, met een distel als beeld.
De foto’s plaatste ze dagelijks op Facebook. Uiteindelijk maakte ze er een boekje van, waarvan ze een aantal exemplaren liet drukken. Een deel van de foto’s werd later tentoongesteld bij Pulchri in Den Haag. Iemand wilde er een paar kopen, hoewel ze helemaal niet voor de verkoop bedoeld waren. Na enig aandringen verkocht Carine ze toch. ‘Raar idee, nu hangt mijn kankerkop bij iemand aan de muur!’ Het is een opmerking waarin haar humor doorklinkt, maar ook iets wezenlijks: wat je zelf maakt om een ervaring te verwerken, kan voor een ander een kunstwerk worden.
Zelfs op vakantie blijft ze kijken
Carine is eigenlijk altijd bezig. Op vakantie maakt ze iedere dag een tekening. Sommige boekjes bewerkt ze later met een schaar, zodat delen van verschillende tekeningen met elkaar gecombineerd kunnen worden. Dat levert vervreemdende, grappige nieuwe beelden op.
Ook tekent ze de vakantieadressen waar ze verblijft. Met een fijn pennetje brengt ze een deel van een kamer heel precies in beeld. Daarna gaat ze los op kleuren en patronen van meubels en behang. Indrukken uit de omgeving, bijvoorbeeld van een bezocht kasteel, verwerkt ze in het beeld. Het resultaat is tegelijk waarheidsgetrouw en onwerkelijk.
Een aantal van deze tekeningen ruilde ze met de verhuurder, zelf ook kunstenaar, tegen houten drukletters. De tekeningen hangen nu in de betreffende woning. Mocht Carine daar ooit opnieuw gaan tekenen, dan kan ze haar eerdere tekening weer in het nieuwe werk opnemen. Een soort Droste-effect.
Dus zelfs als ze ziek is, zelfs op vakantie, blijft ze creëren? ‘Ja, ik zit altijd iets te doen. Ik kan niet anders.’

De Tekenclub: samen maken, samen leren
Ook in de Graaf Florisstraat heeft Carine door de jaren heen veel georganiseerd. Toen de buurtvereniging na een periode van rust weer tot leven kwam, gingen zij en haar vader Frans meer meedoen.
Er werd wekelijks samen gegeten, waarbij Carine regelmatig in de keuken stond. Ze begon een fotoproject met portretten van leden, tussen gekleurde stroken, als achterwand in het Hoekpandje. Ze maakte de ontwikkeling van de Floriscoop mee en sloot zich later aan bij de kookbrigade. Ze draaide daar zeven à acht jaar mee. ‘Dat was een hele leuke periode! Vijfentwintig gebakken vissen tegelijkertijd klaar hebben om bij een bepaalde scène uit te serveren: een leuke uitdaging. Ik heb er veel geleerd.’
Tijdens corona bleef dezelfde groep actief. De buurtbewoners kookten maaltijden die anderen bij de deur konden ophalen. Met zelftesten zorgden ze ervoor dat ze zo veilig mogelijk konden blijven helpen. Voor het eeuwfeest van de straat bedacht Carine vlaggenlijnen van ingezamelde lakens en kleding. Ze deed mee aan het Soupe Concours en zat in het bestuur van de vereniging.
En nu is ze de drijvende kracht achter de Tekenclub. Marieke Stein begon de club enkele jaren voor corona als een groepje voor modeltekenen. Gaandeweg sloten zich meer kunstenaars aan en kwamen er andere kunstvormen bij. Carine kon er zelf zelden bij zijn, omdat ze op donderdagavond lesgaf in Delft. Tijdens vakanties gaf ze soms wel een les. In coronatijd ging de club online verder, maar dat bleek vermoeiender dan elkaar in het echt ontmoeten. Na de pandemie wilde Marieke niet opnieuw beginnen, mede omdat ze uit de straat zou verhuizen. Ze vroeg Carine of die de club wilde overnemen. Dat wilde Carine wel. Ze verplaatste de bijeenkomsten naar de dinsdag en gaf de club een nieuwe vorm. Iedere keer komt een andere kunstenaar iets vertellen over het eigen werk of een techniek. Daarna gaat iedereen zelf aan de slag. ‘Het loopt nu een beetje uit de hand. We hebben een enorme appgroep. Er is groot enthousiasme, en zelfs een wachtlijst.’
Het mooie is dat Carine zelf ook blijft leren. Toen er een keer met houtskool werd gewerkt, moest ze erkennen dat ze die techniek niet goed kende. ‘Help! Dat ken ik niet.’ Ook voor haar is het dus een uitdaging. En juist dat maakt het leuk. Extra bijzonder vindt ze het dat haar vader zo enthousiast meedoet. De Tekenclub brengt mensen samen, maar houdt ook generaties met elkaar verbonden.
De straat gaat in golven
Carine heeft de Graaf Florisstraat door heel verschillende periodes zien gaan. Toen ze er kwam wonen, was de straat geasfalteerd, zonder vluchtheuvels en met verkeer in twee richtingen. Er werd soms tachtig kilometer per uur gereden.Bewoners hebben zich ingezet om de straat af te sluiten voor doorgaand verkeer. Dat is gelukt. Ook een plan voor een trambaan door de straat werd uiteindelijk van tafel gehaald.
In de beginjaren was er veel overlast van prostitutie, drugsgebruik en Hotel Floris. Bewoners leefden vooral achter hun voordeur. Door samen op te trekken, konden ze iets veranderen. Hotel Floris verdween uiteindelijk na aanhoudende klachten van bewoners.
Daarna volgde een bloeiperiode, waarin de buurtvereniging een belangrijke rol speelde. Er kwam een straatgedicht, een toneelstuk en allerlei nieuwe initiatieven: samen eten, het kinderkookcafé Koken met Flo, de Floriscoop en de Tekenclub. ‘Dat zijn mooie voorbeelden van samenredzaamheid. Heel belangrijk voor een gemeenschap.’
Op dit moment maakt Carine zich opnieuw zorgen over de sfeer in de straat. Ze ergert zich aan auto’s die hard optrekken tussen de vluchtheuvels en aan de overlast van groepen die ’s avonds met ronkende auto’s rondhangen en lachgas gebruiken. Vroeger stapte ze nog weleens op iemand af om de overlast aan te kaarten. Nu vindt ze dat lastiger. Ze weet niet wat iemand onder invloed bij zich heeft en of aanspreken wel veilig is. De politie kan bovendien niet altijd iets doen zonder een concrete overtreding op heterdaad vast te stellen. ‘Je weet niet meer goed hoe je hier als straat tegen kunt optreden.’ Ze hoopt dat ook deze periode weer voorbijgaat. Want het gaat in golven, weet ze uit ervaring.
Tegelijk ziet ze dat bewoners tegenwoordig vaker achter hun voordeur blijven, zoals in de beginjaren van haar leven in de straat. Ze begrijpt dat jonge gezinnen het druk hebben. Maar druk waren zij vroeger ook, zegt ze. En toch deden ze dingen voor de buurt. Haar oproep is dan ook helder: kom naar buiten en neem eens een initiatief dat mensen met elkaar verbindt. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Een klein gebaar kan al verschil maken. ‘Of ga eens je stoep vegen. Denk na over waar je woont en wie je buren zijn. Ken uw buren! Neem ze mee, trek ze hun deur uit.’
Ze hoopt vooral dat er weer meer stoepgesprekken ontstaan. Want juist daar, in een terloops praatje, kunnen nieuwe ideeën beginnen. En terwijl ze erover praat, ontstaat er alweer een idee. Wat als er een vlaggenproject komt, met een eigen vaandel aan ieder huis? Zoals in de Claes de Vrieselaan, maar dan kleurrijker. Zo krijgt de straat een gezamenlijke uitstraling. Carine ziet het al voor zich. Er zijn vlaggenstokken nodig. ‘Ik heb er zelf geeneens een.’ En ook een hoogwerker om dat allemaal op te hangen. Wie het leuk vindt om mee te denken of mee te doen, mag zich melden op nummer 48.

Een huis vol verhalen
Aan het einde van het gesprek krijg ik nog een rondleiding door het huis. Het staat vol met het levenswerk van drie inspirerende mensen. De poppen van haar moeder, de tekeningen van haar vader en Carines eigen beeldende werk. Daarnaast is er ook veel kunst van anderen, vaak met een verhaal over hoe die is verworven of in bruikleen gekregen.Overal staan boeken, veelal over kunst. In de gang liggen romans en geschiedenisboeken. Er wordt hier veel gelezen. Bijna ieder voorwerp blijkt een eigen geschiedenis te hebben.
We bladeren nog even door fotoalbums. Ik zie een knappe jonge Frans en Ineke, verliefd naar elkaar kijkend en naar hun prachtige dochter. Wat is en wordt er veel van elkaar gehouden in dit huis. Ooit zal Carine dit huis verlaten. Ze denkt er al wel eens over na. Maar nu nog niet. Nu is er nog zoveel te maken, te ontdekken en te delen.
En misschien is dat wel de rode draad in alles wat ze doet. Ze kijkt naar wat er is, ziet wat het kan worden en nodigt anderen uit om mee te doen. In haar lessen, in de Tekenclub, bij de buurtvereniging en gewoon op straat. Een kunstenaar die niet alleen schoonheid maakt, maar ook verbinding.
Want een buurt wordt niet vanzelf een gemeenschap. Daar zijn mensen voor nodig die kijken, iets ondernemen en anderen erbij betrekken. Mensen zoals Carine Hooykaas.
- Lokale Helden: Carine Hooykaas - 23 oktober, 2026
- Ik vertrek: Frank & Jet - 11 juli, 2026
- In Memoriam: Marco Schrauwen - 9 juli, 2026
Een trip naar warmtepompland Volgend artikel: