Liesbeth – Nesjomme

door • 19 december, 2025 • Opinie

Dit jaar had ik de eer om Chaja Polak te interviewen over haar boek Brief in de nacht. Gedachten over Israël en Gaza(2024). Een vraaggesprek voeren met iemand die zó zorgvuldig denkt en schrijft, bleek een ervaring die dieper ging dan ik had verwacht.

Chaja Polak is schrijver en kunstenaar, dochter van Hans Polak en Annetje Kupferschmidt. Beiden waren Joods en actief in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haar vader overleefde de oorlog niet; haar moeder werd later medeoprichter van het Nederlands Auschwitz Comité. Het zijn feiten die zich meestal in keurige biografieregels laten vangen, maar die in dit essay een pijnlijke onderstroom vormen.

Centraal in haar boek staat een vraag die harder knettert dan ooit: hoe maken we ruimte voor nuance in tijden van oorlog en politieke aardverschuivingen? Hoe bepalen we een morele houding in het conflict tussen Israël en Gaza, nu taal zelf onder druk staat en woorden hun betekenis verliezen?

Omdat Polaks persoonlijke geschiedenis — en die van haar tweede man, Nol van Dijk — zo’n belangrijke rol speelt in de opbouw van haar betoog, had ik het boek tot in de marges bestudeerd. De klassieke valkuil: zó goed voorbereid zijn dat je stilvalt. Dat gebeurde. Ik verloor het contact, voelde het ongemak opkomen en liet het gebeuren.

Waar ik als tweede generatie gewend ben de deksel strak op de emotionele put te houden, durft zij moeiteloos diep te gaan. Zij heeft woorden voor wat ik, juist door herkenning, even niet kon zeggen. Haar manier van spreken confronteerde me met iets eenvoudigs maar ontstellends: betrokkenheid vraagt niet om beheersing, maar om openheid.

Ik moest opnieuw aan haar essay denken na de terroristische aanslag tijdens de Chanoekaviering op Bondi Beach — een moment waarop het nieuws zich in het lichaam plant en een oud, geërfd trauma weer voelbaar wordt.

Polak beschrijft hoe haar moeder en tweede vader haar leerden dat het in de eerste plaats gaat om mens-zijn, en dat haar Joodse identiteit daaraan ondergeschikt was. Een gedurfde gedachte, zeker voor een kind van overlevenden, omgeven door verhalen die juist voortkwamen uit de vernietiging van die identiteit.

Ze schrijft over de debet én creditzijde van die boodschap: mens onder de mensen willen zijn, maar je toch anders voelen — niet door religie, maar door de last van een oorlogsverleden. Door lijden dat verbonden blijft aan je naam, je lichaam, je geschiedenis.

Mens, en daarna Joods.

Leven zonder het houvast van rituelen, maar mét nesjomme — ziel, gevoel, betrokkenheid.

Ook ik herken dat spanningsveld: mens én anders. De vraag niet alleen hoe ik kijk naar het lijden van anderen, maar hoe ik daarin aanwezig kan zijn zonder te verstarren. Juist in een tijd waarin de wereld vraagt om stellingname, maar niet om nuance.

Een chassidische legende vertelt hoe een onbekende, getalenteerde muzikant een stad binnenkomt en begint te spelen op een straathoek. Wie stopt om te luisteren, kan zich niet meer losmaken. Al snel danst een hele menigte op het ritme van de muziek. Een dove man loopt voorbij en denkt: zijn ze gek geworden? Waarom draaien ze rondjes in het midden van de straat?

De vraag die blijft hangen:

Moet je stoppen met dansen als je geraakt wordt in je ziel, alleen omdat het voor minder gevoelige oren vreemd oogt?

Ik denk van niet.

Misschien is dát het fundament waar Polak over schrijft: menselijkheid die boven meningen uitstijgt. Die kwetsbaar is, maar blijft staan. Misschien is dansen — voelen, luisteren, bewegen ondanks alles — precies wat we nodig hebben om te blijven zien wat er op het spel staat. En misschien is dát wat Polak ons voorhoudt: dat menselijkheid geen standpunt is, maar een houding die vraagt om moed, aandacht en beweging.

Laatste berichten van Liesbeth Levy (alles zien)

Gerelateerde artikelen

Comments are closed.